12.1 Kerngegevens
| 2025 | 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal deelnemers | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 343 | 353 | 350 | 1.016 | 1.182 | ||||
| Gewezen deelnemers | 6.636 | 6.843 | 6.998 | 8.832 | 8.765 | ||||
| Pensioengerechtigden | 1.756 | 1.619 | 1.524 | 1.448 | 1.343 | ||||
| Totaal | 8.735 | 8.815 | 8.872 | 11.296 | 11.290 | ||||
| Dekkingsgraad | |||||||||
| Beleidsdekkingsgraad | 122,8% | 118,3% | 116,5% | 111,2% | 108,7% | ||||
| Feitelijke dekkingsgraad | 127,8% | 117,4% | 116,0% | 112,7% | 113,3% | ||||
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,0% | 104,0% | 104,0% | 104,1% | 104,1% | ||||
| Vereiste dekkingsgraad | 113,9% | 113,1% | 112,8% | 112,6% | 113,5% | ||||
| Financiële positie (in € 1.000) | |||||||||
| Pensioenvermogen | 830.184 | 878.925 | 844.152 | 799.949 | 1.136.448 | ||||
| Voorzieningen pensioenverplichtingen voor risico pensioenkring* | 628.562 | 729.896 | 708.066 | 688.044 | 973.079 | ||||
| Herverzekeringsdeel technische voorzieningen | 546 | 576 | 693 | 684 | 572 | ||||
| Voorziening operationele kosten | 20.466 | 18.342 | 19.071 | 20.797 | 29.754 | ||||
| Eigen vermogen | 180.610 | 130.111 | 116.323 | 90.414 | 133.043 | ||||
| Minimaal vereist eigen vermogen | 26.147 | 30.105 | 29.239 | 28.719 | 40.725 | ||||
| Vereist eigen vermogen | 90.212 | 98.092 | 93.379 | 89.090 | 135.485 | ||||
| Premies en uitkeringen (in € 1.000) | |||||||||
| Kostendekkende premie | 3.020 | 2.810 | 2.479 | 8.858 | 13.354 | ||||
| Feitelijke premie | 2.888 | 2.864 | 3.357 | 8.824 | 12.069 | ||||
| Gedempte premie | 2.754 | 2.708 | 2.552 | 5.886 | 8.351 | ||||
| Pensioenuitkeringen | 22.751 | 21.185 | 20.430 | 19.299 | 17.672 | ||||
| Toeslagen | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 1,37% | 0,92% | 0,00% | 0,84% | 0,00% | ||||
| Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden | 1,37% | 0,92% | 0,00% | 0,84% | 0,00% | ||||
| Niet toegekende toeslagen deelnemers (cumulatief) | 26,76% | 24,53% | 22,55% | 24,27% | 6,84% | ||||
| Niet toegekende toeslagen gewezen deelnemers en pensioengerechtigden (cumulatief) |
26,76% | 24,53% | 22,55% | 24,27% | 6,84% | ||||
| Beleggingsrendement | |||||||||
| Per jaar | -2,7% | 7,0% | 9,1% | -29,8% | 3,6% | ||||
| Kostenratio`s | |||||||||
| Pensioenuitvoeringskosten | 0,15% | 0,15% | 0,13% | 0,13% | 0,12% | ||||
| Vermogensbeheerkosten | 0,28% | 0,29% | 0,26% | 0,26% | 0,27% | ||||
| Transactiekosten | 0,06% | 0,05% | 0,09% | 0,07% | 0,08% | ||||
| Gemiddelde duration (in jaren) | |||||||||
| Actieve deelnemers | 20,9 | 22,7 | 22,1 | 25,4 | 26,7 | ||||
| Gewezen deelnemers | 19,5 | 21,7 | 22,0 | 22,8 | 24,5 | ||||
| Pensioengerechtigden | 8,7 | 9,4 | 9,5 | 9,5 | 10,9 | ||||
| Totaal gemiddelde duration | 14,6 | 16,8 | 17,1 | 17,8 | 20,2 |
12.2 Algemene informatie
Multi-client Pensioenkring 2 is vanaf 1 januari 2018 operationeel. Meerdere werkgevers hebben de pensioenregeling ondergebracht in deze pensioenkring. Daarnaast zijn vanuit de volgende voormalige pensioenfondsen de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenverplichtingen met een collectieve waardeoverdracht overgedragen aan Multi-client Pensioenkring 2:
- de voormalige Stichting Pensioenfonds Sanoma Nederland heeft de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenverplichtingen in mei 2018 overgedragen aan de pensioenkring
- per 1 maart 2020 heeft de voormalige Stichting Pensioenfonds Invista de opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten en de bijbehorende pensioenverplichtingen overgedragen aan de pensioenkring. De werkgever die bij dat pensioenfonds was aangesloten heeft de pensioenregeling per 1 maart 2020 ook ondergebracht bij de pensioenkring
- stichting Pensioenfonds Fresenius Nederland heeft de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en de bijbehorende pensioenverplichtingen in september 2020 overgedragen aan de pensioenkring
- de voormalige Multi-client Pensioenkring 1 van Stap heeft het vermogen en de verplichtingen per 31 december 2020 naar de pensioenkring overgedragen. Daarbij hebben de aangesloten ondernemingen van de voormalige Multi-client Pensioenkring 1 hun pensioenregeling eveneens ondergebracht bij de pensioenkring
De samenstelling en zittingstermijnen van het belanghebbendenorgaan zijn op het moment van vaststellen van het jaarverslag als volgt:
| Naam lid belanghebbendenorgaan | Ingangsdatum zittingstermijn | Einddatum 1ste zittingstermijn | Einddatum 1ste herbenoeming | Laatste termijn eindigt op |
|---|---|---|---|---|
| Paul van Driessen (1954), voorzitter namens de pensioengerechtigden |
18-03-2020 | 18-03-2024 | 18-03-2028 | 18-03-2032 |
| Mark Marseille (1963), lid namens de werkgever |
15-12-2021 | 15-12-2025 | 15-12-2029 | 15-12-2033 |
| Lars Strijdonk (1970), lid namens de deelnemers |
15-12-2021 | 15-12-2025 | 15-12-2029 | 15-12-2033 |
| Gert Tuinsma (1964), lid namens de gewezen deelnemers |
18-03-2024 | 18-03-2028 | 18-03-2032 | 18-03-2036 |
Op 15 december 2025 eindigde de eerste zittingstermijn van Mark Marseille als lid van het belanghebbendenorgaan namens de werkgevers. Mark stelde zich beschikbaar voor een nieuwe termijn en is voorgedragen voor herbenoeming. Ook voor Lars Strijdonk eindigde op 15 december 2025 de eerste zittingstermijn als lid van het belanghebbendenorgaan namens de deelnemers. Hij stelde zich eveneens beschikbaar voor een nieuwe termijn en is voorgedragen voor herbenoeming. Het bestuur heeft Mark Marseille en Lars Strijdonk beiden herbenoemd voor een tweede zittingstermijn.
Het belanghebbendenorgaan van Multi-client Pensioenkring 2 heeft in 2025 twee keer een overleg gehad met het bestuur. In mei 2025 heeft een overleg plaatsgevonden met als belangrijkste onderwerp het jaarverslag 2024. In december 2025 heeft een tweede overleg plaatsgevonden waarin diverse onderwerpen zoals de pensioenpremie 2026, het beleggingsplan 2026, het jaarplan 2026, de toeslagverlening per 31 december 2025, het communicatiejaarplan 2026 en het pensioenreglement 2026 zijn behandeld. Naast de vergaderingen met het bestuur heeft het belanghebbendenorgaan in mei 2025 een overleg gehad met de raad van toezicht en in 2025 zes eigen vergaderingen gehouden. Bij de eigen vergaderingen was een delegatie van het bestuursbureau aanwezig.
12.3 Pensioenparagraaf
Kenmerken regeling
De belangrijkste kenmerken van de regeling luiden als volgt:
| Pensioenregeling | De pensioenregeling is een voorwaardelijke middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagen. De pensioenregeling heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst. |
|---|---|
| Pensioenleeftijd | Leeftijd 68 jaar (en 67 jaar voor de (gewezen) deelnemers van Sanoma). |
| Pensioengevend salaris | Het pensioengevend salaris is gelijk aan: 1. het via de loonaangiftesystematiek voor de belastingdienst doorgegeven SV loon, of: 2. de opgave van de werkgever over de loonbestanddelen die volgens de afspraken tussen de werkgever en de deelnemers meetellen voor de pensioenopbouw. Het totaal van het pensioengevend salaris waarover pensioen wordt opgebouwd is een keuze van de aangesloten onderneming. Het maximum pensioengevend salaris zal nooit hoger zijn dan fiscaal toelaatbaar en bedraagt (in 2025) maximaal € 137.800 op jaarbasis, bij een voltijds dienstverband en wordt aangepast aan de fiscale maximering. |
| Franchise | De hoogte van de franchise is een keuze van de aangesloten onderneming. De franchise zal nooit lager zijn dan de fiscaal minimaal toegestane franchise (€ 18.475 per 1 januari 2025 bij een maximaal opbouwpercentage van 1,875%). |
| Pensioengrondslag | De pensioengrondslag bedraagt het pensioengevend salaris minus de franchise. De pensioengrondslag wordt vermenigvuldigd met de parttimefactor. |
| Opbouwpercentage ouderdomspensioen | Het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen is door de aangesloten onderneming vrij te kiezen tot een maximum van 1,875%. |
| Partnerpensioen | Het percentage voor het partnerpensioen is door de aangesloten onderneming vrij te kiezen tot een maximum van 1,313%. De financiering voor het partnerpensioen is een keuze van de aangesloten onderneming en kan op opbouwbasis of risicobasis geschieden. |
| Wezenpensioen |
20% van het partnerpensioen. |
| Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid | Bij arbeidsongeschiktheid wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. |
| Arbeidsongeschiktheids-pensioen (optioneel) | 70% van het salaris boven maximum WIA‐loon, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De aangesloten onderneming maakt zelf de keuze om dit pensioen wel of niet aan te bieden. |
| Anw-hiaatpensioen (optioneel) |
Het Anw-hiaatpensioen wordt jaarlijks vastgesteld aan de hand van de ontwikkeling van de wettelijke Anw-uitkering. Het Anw-hiaatpensioen gaat in bij overlijden en eindigt op de laatste dag van de maand waarin de partner: • de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, of • 68 jaar wordt als dat eerder is, of • komt te overlijden als dat eerder is. De aangesloten onderneming maakt zelf de keuze om dit pensioen wel of niet aan te bieden. |
Ontwikkelingen in aantallen deelnemers
In onderstaande tabel is een mutatieoverzicht opgenomen met de ontwikkelingen in het deelnemersbestand.
| Deelnemers | Actief | Ingegaan OP/NP | Ingegaan WzP | Gewezen | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| Per 31 december 2024 | 353 | 1.571 | 48 | 6.843 | 8.815 |
| Bij | 26 | 190 | 4 | 20 | 240 |
| Af | 36 | 50 | 7 | 227 | 320 |
| Per 31 december 2025 | 343 | 1.711 | 45 | 6.636 | 8.735 |
Financieringsbeleid
Voor de pensioenregeling wordt door de aangesloten onderneming jaarlijks een premie per deelnemer betaald op basis van een gedempte premie, zoals onderstaand onder feitelijke premie is uitgewerkt.
Feitelijke premie
De feitelijke jaarpremie in 2025 is minimaal gelijk aan de som van de berekende premies voor de individuele deelnemers op basis van onderstaande uitgangspunten.
| Basispremie | Actuariële koopsom voor het in het jaar op te bouwen ouderdomspensioen en eventueel het partnerpensioen, indien de aangesloten onderneming heeft gekozen voor een partnerpensioen op opbouwbasis. |
|---|---|
| Rekenrente | De rentetermijnstructuur zoals vastgesteld door DNB inclusief de UFR methode met een 12-maands middeling (periode oktober – september). |
| Sterftekansen | • Ontleend aan de meest recente Prognosetafel, zoals gepubliceerd door het Koninklijk Actuarieel Genootschap. • Bij gebruik van de Prognosetafel wordt rekening gehouden met leeftijdsafhankelijke ervaringssterfte op basis van het Demographic Horizons TM Model van Aon. • Voor kinderen worden de sterftekansen verwaarloosd. |
| Kostenopslag | Ter dekking van toekomstige administratiekosten en excassokosten is een opslag opgenomen van 3,0% over de totale netto premie. Daarnaast wordt voor elke actieve deelnemer een bedrag van € 84,72 (in 2025) gerekend. |
| Toeslagen | De premie bevat geen opslag voor toekomstige toeslagen. |
| Weerstandsvermogen | Ten behoeve van het vormen van het weerstandsvermogen voor Stap wordt een opslag van 0,2% op de premie gelegd. |
| Leeftijd | Voor de actieve deelnemer wordt de leeftijd voor vaststelling van de premie op de berekeningsdatum vastgesteld in maanden nauwkeurig door de pensioenleeftijd te verminderen met de toekomstige duur tot aan de pensioenleeftijd. |
| Nabestaandenpensioen | Voor het partner- en wezenpensioen worden jaarlijks herverzekeringspremies betaald dan wel een actuariële koopsom berekend afhankelijk van de keuze van de aangesloten onderneming voor de manier waarop het partnerpensioen is toegezegd. |
| Risico premievrijstelling | Voor het risico van premievrijstelling tijdens het deelnemerschap wordt de actuariële koopsom verhoogd met een opslag van: een percentage voor PVI, gelijk aan herverzekeringspremie. Deze premie wordt op werkgeversniveau vastgesteld. De opslag is zo bepaald dat deze gelijk is aan de aan de herverzekeraar verschuldigde premie. |
| Risico arbeidsongeschiktheidspensioen | Voor het risico van arbeidsongeschiktheidspensioen tijdens het deelnemerschap wordt de actuariële koopsom verhoogd met een opslag van: een percentage voor het WIA-excedent pensioen, gelijk aan de factor vanuit het herverzekeringscontract. Deze premie wordt op werkgeversniveau vastgesteld. De opslag wordt alleen vastgesteld wanneer een aangesloten onderneming voor deze optie heeft gekozen. In dat geval is de opslag zo bepaald dat deze gelijk is aan de aan de herverzekeraar verschuldigde premies. |
| Anw-hiaat pensioen | De factoren van de herverzekering worden toegepast wanneer een aangesloten onderneming voor deze optie gekozen heeft. Hiermee zijn de kosten gelijk aan de aan de herverzekeraar af te dragen premies voor dit pensioen. |
| Hertrouwkansen | Er wordt geen rekening gehouden met hertrouwkansen. |
| Solvabiliteit | De actuariële koopsom, inclusief de opslagen voor risico partnerpensioen en arbeidsongeschiktheid, wordt verhoogd met een opslag van 10% voor solvabiliteit. |
Gedempte premie
Om te toetsen in hoeverre de feitelijke premie voldoet aan de wettelijke eisen, hanteert de pensioenkring een gedempte premie. De gedempte premie wordt vastgesteld op basis van de bovenstaande uitgangspunten voor de vaststelling van de feitelijke premie met uitzondering van de volgende onderdelen.
| Rekenrente | De rekenrente voor de berekening van de gedempte premie is gebaseerd op een verwacht rendement op basis van het huidige strategisch beleggingsbeleid. Hierbij is gebruik gemaakt van het in artikel 36b Besluit financieel toetsingskader geboden overgangsrecht door voor de premiestelling vanaf het jaar 2024 het rendement op vastrentende waarden opnieuw vast te zetten voor een periode van vijf jaar op basis van de rentetermijnstructuur van 30 september 2023. Voor de risicopremies (meetkundig) worden de hoogtes gelijkgesteld aan de maximale rendementsparameters zoals vastgesteld in artikel 23a van het Besluit FTK en geldend per 1 juli 2023. De curve is verlaagd met inflatie op basis van de minimale verwachtingswaarde van de prijsinflatie (2,0%) en het ingroeipad zoals deze door De Nederlandsche Bank op 6 oktober 2023 is gepubliceerd. |
|---|---|
| Solvabiliteitsopslag | De solvabiliteitsopslag is gelijk aan nul, tenzij de verlaging van de rekenrente door rekening te houden met de inflatie op basis van het ingroeipad CPI leidt tot een lagere opslag op de premie dan een solvabiliteitsopslag ter hoogte van het vereist eigen. In dat geval dient de hoogte van de solvabiliteitsopslag gelijk te zijn aan het percentage dat behoort bij het vereist eigen vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid. De curve van de rekenrente wordt dan niet verlaagd met de inflatie. |
| Weerstandsvermogen | De opslag wordt elk jaar toegevoegd aan het weerstandsvermogen van het fonds en is geen onderdeel van de gedempte premie of het vermogen in de pensioenkring. |
Kostendekkende premie
Naast de gedempte premie wordt jaarlijks ook de kostendekkende premie bepaald. De kostendekkende premie wordt op dezelfde grondslagen berekend als de gedempte premie, met uitzondering van de rekenrente. Bij de kostendekkende premie wordt de actuele rentetermijnstructuur gebruikt zoals deze door DNB gepubliceerd wordt per 31 december van het voorafgaande jaar.
Weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen voor Multi-client Pensioenkring 2 bedraagt 0,2% van het beheerde pensioenvermogen. Dit is het vermogen dat Stap volgens het bepaalde bij of krachtens de Pensioenwet ten minste moet aanhouden als vermogen om de bedrijfsrisico’s te dekken. Het weerstandsvermogen maakt geen deel uit van het vermogen van Multi-client Pensioenkring 2.
Voor het weerstandsvermogen geldt een wettelijk voorgeschreven minimum en maximum. Doorlopend wordt getoetst of het aanwezige weerstandsvermogen hieraan voldoet. Daarbij vastgestelde overschotten en tekorten van het weerstandsvermogen die het gevolg zijn van het behaalde positieve of negatieve rendement op het vermogen van Multi-client Pensioenkring 2, komen ten goede aan, respectievelijk ten laste van het behaalde bruto rendement op het vermogen van Multi-client Pensioenkring 2.
Klachten en geschillen
Luisteren naar deelnemers en daarnaar handelen biedt kansen om onze dienstverlening structureel te blijven verbeteren. Hierbij volgen we de geactualiseerde versie (september 2024) van de Gedragslijn Goed omgaan met Klachten. Een vorm van zelfregulering waarmee leden van de Pensioenfederatie hebben vastgelegd wat het basisniveau is van hoe we als pensioenfondsensector willen omgaan met klachten. In 2025 hebben we ons ingezet op verdere professionalisering van klachtenmanagement met als belangrijk resultaat dat we 94% scoorden op de naleving van de Gedragslijn Goed omgaan met klachten. Ruim boven de sectornorm van 84%.
We hanteren de wettelijke bredere definitie van een klacht: elke uiting van ontevredenheid van een persoon gericht aan de pensioenuitvoerder. Dat betekent dat uitingen van ongenoegen die via verschillende kanalen bij ons binnenkomen worden beschouwd als een klacht. Stap ziet ieder klantsignaal en ieder contact met een persoon waaruit blijkt dat niet is voldaan óf juist wel is voldaan aan de verwachtingen als een kans. Dit vraagt om een werkwijze waarbij alle klantsignalen structureel worden vastgelegd en geanalyseerd om mogelijke verbeterrichtingen te bepalen. Op basis van prioritering wordt vervolgens besloten welke signalen worden opgepakt en uitgewerkt tot een verbeterinitiatief. Door daarna terug te koppelen aan bijvoorbeeld deelnemers, werkgevers, medewerkers of melders over wat er met hun signaal is gedaan (of waarom niet), wordt de feedbackloop gesloten.
Met onze werkwijze sluiten wij aan bij de verwachtingen van de deelnemers en werkgevers. Bovendien is het fonds zo goed in staat om verwachtingen en vragen van deelnemers over het nieuwe stelsel goed vast te leggen en om te zetten. Zowel in 2024 als 2025 waren er voor Multi-client Pensioenkring geen klachten over de nieuwe pensioenregeling (toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie).
In onderstaand schema staan de aantallen klachten, geëscaleerde klachten en geschillen over 2025 toebedeeld aan een aantal vaste rubrieken zoals beschreven in de gedragslijn. Een geëscaleerde klacht is een klacht die niet in één keer, naar tevredenheid van de klant, is opgelost. Klachten die niet in onderling overleg worden opgelost, kunnen uitmonden in een geschil. Geschillen kunnen door de deelnemer worden voorgelegd aan de Geschillen Instantie Pensioenfondsen (waarbinnen de deelnemer kan kiezen voor bemiddeling door de Ombudsman of beslechting), of de burgerlijke rechter.
De tabel hieronder toont de AFM-rubrieken. In 2025 zijn 11 klachten afgehandeld, waaronder 6 klachten over de pensioenberekening en -betaling. Onze pensioenuitvoeringsorganisatie gebruikt daarnaast een uitgebreidere classificatielijst voor meer detail en beter inzicht in alle klantsignalen.
| Onderwerp | Klachten | Geëscaleerde klachten | Geschillen |
|---|---|---|---|
| Afgehandelde klachten 2025 per onderwerp: | |||
| - service en klantgerichtheid | 0 | 0 | 0 |
| - behandelingsduur | 0 | 0 | 0 |
| - informatieverstrekking | 3 | 0 | 0 |
| - deelnemersportaal | 1 | 0 | 0 |
| - keuzebegeleiding | 0 | 0 | 0 |
| - pensioenberekening en -betaling | 6 | 0 | 0 |
| - registratie werknemersgegevens/datakwaliteit | 1 | 0 | 0 |
| - toepassing wet- en regelgeving: algemeen | 0 | 0 | 0 |
| - toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie | 0 | 0 | 0 |
| - financiële situatie | 0 | 0 | 0 |
| - duurzaamheid | 0 | 0 | 0 |
| - overig | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 11 | 0 | 0 |
Op basis van de uitkomsten hebben we onder andere de volgende verbetering doorgevoerd:
Verduidelijking partnerpensioen bij pensioenaanvraag
Informatie over klantcontacten was verspreid over meerdere systemen en kanalen waardoor een samenhangend beeld ontbrak. Door uiteenlopende classificaties was het combineren en analyseren van data ingewikkeld. Rapportages over deelnemersvragen en deelnemersklachten kostten veel tijd en leverden beperkte inzichten op.
Oplossing
Er is één uniforme indeling gemaakt, waarbij de classificatie gekoppeld is aan producten, diensten (PDC) en klantreizen. De integratie van sentimentanalyse en klantsignalen zorgt voor rijkere inzichten in de behoeften en ervaringen van deelnemers.
Verder voert onze pensioenuitvoeringsorganisatie een periodieke meting uit naar de klanttevredenheid over de behandeling van klachten (de Klanttevredenheidsmonitor ‘Ik heb een klacht’). Deze meting wordt vier keer per jaar verstuurd naar aanleiding van een uiting van onvrede of een ingediende klacht en bevat onder meer vragen over de tevredenheid van de deelnemer over onze reactie of geboden oplossing en het algehele klachtenproces. Voor Stap komt de gemiddelde tevredenheid over 2025 (Q1–Q3) uit op een 7,0 op een 10-puntsschaal. Op basis van deze metingen ontstaat het beeld dat de tevredenheid over de klachtbehandeling wisselend is en dat er ruimte is voor verbetering in de ervaren afhandeling van klachten, waarbij de uitkomsten mede moeten worden bezien in het licht van het in sommige gevallen beperkte aantal ingevulde vragenlijsten.
12.4 Vermogensbeheer
Beleggingsmix
In onderstaande tabellen zijn de actuele en strategische beleggingsmix ultimo 2025 en 2024 opgenomen, alsmede de beleggingen voor het indexatiedepot.
| 2025 | 2024 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
|
| Aandelen | 225,8 | 27,2 | 26,0 | 249,0 | 28,4 | 26,0 |
| Ontwikkelde markten | 185,6 | 22,4 | 21,5 | 208,3 | 23,7 | 21,5 |
| Opkomende markten | 40,2 | 4,8 | 4,5 | 40,6 | 4,6 | 4,5 |
| Private Equity | 0,7 | 0,1 | 0,0 | 1,8 | 0,2 | 0,0 |
| Vastrentende waarden * | 575,9 | 72,7 | 74,0 | 601,4 | 71,4 | 74,0 |
| Bedrijfsobligaties Europa | 140,3 | 16,9 | 16,5 | 138,0 | 15,7 | 16,5 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) | 135,1 | 16,3 | 16,5 | 137,5 | 15,7 | 16,5 |
| Hypotheken Nederland | 168,3 | 20,3 | 17,0 | 168,4 | 19,2 | 17,0 |
| Staatsleningen opkomende markten | 33,6 | 4,1 | 4,0 | 37,5 | 4,3 | 4,0 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | 98,5 | 11,9 | 20,0 | 120,0 | 13,7 | 20,0 |
| Liquiditeiten | 156,8 | 18,9 | 134,3 | 15,3 | ||
| Overlay | -129,9 | -15,7 | -108,8 | -12,4 | ||
| Interest Rate Swap | -130,6 | -15,8 | -106,0 | -12,1 | ||
| FX Forward | 0,7 | 0,1 | -2,8 | -0,3 | ||
| Totaal ** / *** | 829,3 | 100,0 | 100,0 | 877,8 | 100,0 | 100,0 |
In november 2025 is de strategische renterisicoafdekking verhoogd van 70% naar 85%.
In december 2025 is het beleggingsplan 2026 vastgesteld. Het beleggingsplan 2026 heeft als ingangsdatum 1 januari 2026.
Ten opzichte van het beleggingsplan 2025 zijn er voor het beleggingsplan 2026 geen wijzigingen in de strategische allocatie van de beleggingen aangebracht.
Resultaten beleggingen
In onderstaande tabellen worden de beleggingsresultaten van 2025 weergegeven.
| Cijfers in % | Pensioenkring * | Benchmark | Relatief | Bijdrage aan totaal rendement |
|---|---|---|---|---|
| Aandelen en Private Equity | 2,4 | 3,2 | -0,9 | 0,6 |
| Aandelen ontwikkelde markten (MM World Equity Index SRI Fund) |
0,5 | 0,1 | 0,4 | 0,2 |
| Aandelen opkomende markten (MM Global Emerging Markets Fund) |
11,6 | 17,8 | -6,2 | 0,5 |
| Private equity (Unigestion – Euro Choice IV) |
-89,0 | -89,0 | 0,0 | 0,0 |
| Private equity (Unigestion – Euro Choice V) |
-26,4 | -26,4 | 0,0 | 0,0 |
| Vastrentende waarden | -0,7 | -2,1 | 1,4 | -0,5 |
| Bedrijfsobligaties Europa (MM Credit Index Fund) |
2,8 | 2,8 | 0,0 | 0,4 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) (MM Global Credit Ex Financials Fund - Unhedged) |
-1,7 | -1,8 | 0,1 | -0,3 |
| Hypotheken Nederland (MM Dutch Mortgage Fund) |
1,4 | -1,6 | 2,9 | 0,3 |
| Staatsleningen opkomende markten (MM Global Emerging Market Debt Fund) |
1,6 | 0,3 | 1,3 | 0,1 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | -7,2 | -7,2 | 0,0 | -1,0 |
| Totaal exclusief liquiditeiten en overlay | 0,2 | -0,7 | 0,8 | 0,2 |
| Liquiditeiten | 0,1 | |||
| Totaal overlay | -3,3 | |||
| Interest Rate Swap | -5,3 | |||
| FX Forward | 2,0 | |||
| Totaal ** | -2,7 | -2,7 |
Toelichting resultaten beleggingen 2025
In deze paragraaf wordt ingegaan op de behaalde rendementen van de pensioenkring (1). De belangrijkste bijdragen aan het rendement en de meest opvallende relatieve en absolute rendementen worden hierna toegelicht.
(1) Voor de meeste beleggingscategorieën wordt passief belegd. Doordat de benchmark geen rekening houdt met transactiekosten is het rendement van de passief beheerde beleggingsfondsen, als gevolg van de transactiekosten, meestal iets lager dan de gehanteerde benchmark.
Toelichting resultaten aandelen
Door de stijging van de aandelenmarkt droeg de categorie aandelen met 0,6%-punt positief bij aan het totaal rendement. Het MM Global Emerging Markets Fund had met 0,5%-punt de grootste positieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen in aandelen is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten private equity
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen die beleggen in private equity is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten vastrentende waarden
Vastrentende waarden droegen 0,5%-punt negatief bij aan het totaal rendement. Het MM Credit Index Fund leverde met 0,4%-punt de grootste positieve bijdrage bij aan deze beleggingscategorie. De portefeuille met discretionaire nominale staatsobligaties leverde met 1,0%-punt de grootste negatieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen in vastrentende waarden is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten overlay
De overlay, bestaande uit renteswaps en valutaforwards, heeft voornamelijk als doel om de dekkingsgraad van de pensioenkring te beschermen tegen financiële risico’s en droeg in de verslagperiode 3,3%-punt negatief bij aan het rendement.
De renteswaps droegen met 5,3%-punt negatief bij aan het totale beleggingsresultaat, De afdekking van het renterisico is in 2025 opgehoogd van 70% naar 85%, waarbij de verplichtingen qua looptijd meer zijn afgedekt aan het korte eind van de rentecurve ten opzichte van het lange eind. De te betalen floating rente van de renteswaps leidde tot een positieve bijdrage vanwege de lagere kortetermijn rente. Dit effect was kleiner dan het negatieve rendement op de swaps als gevolg van de fors gestegen swaprente in 2025.
Per saldo leidde de afdekking van het valutarisico tot een positieve bijdrage aan het rendement van 2,0%-punt. Dit is met name een gevolg van het afdekken van de Amerikaanse dollar die zwakker werd ten opzichte van de euro.
| Attributie beleggingscategorieën eind 2025 | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % * | Allocatie effect | Selectie effect |
| Aandelen en Private Equity | 0,0 | -0,2 |
| Vastrentende waarden | 0,4 | 0,6 |
| Totaal | 0,4 | 0,4 |
Attributie analyse
De attributie geeft een nadere verklaring van de behaalde out-performance over een bepaalde periode. Dit wordt verklaard door twee elementen:
- allocatie: out-performance behaald door meer/minder te beleggen (alloceren) in categorieën die het relatief beter/slechter doen ten opzichte van het totaal
- selectie: out-performance behaald door binnen de beleggingscategorie bepaalde beleggingen te kiezen die een out-performance behalen ten opzichte van hun respectievelijke benchmark
Het positieve relatieve rendement wordt met name veroorzaakt door het selectie effect. Het MM Dutch Mortgage Fund zorgde voor de grootste positieve bijdrage aan het selectie effect, namelijk met 0,6%-punt.
Uitvoering MVB-beleid
Het maatschappelijk verantwoord beleggen beleid van Stap staat beschreven in hoofdstuk 1.5 Beleggingen. Hieronder wordt de uitvoering van dit beleid beschreven die specifiek van toepassing is voor de pensioenkring.
Screening en engagement
Eind 2025 werd met 12 bedrijven, waarin de pensioenkring via de MM-beleggingsfondsen belegt, een dialoog gevoerd. Het voeren van de dialoog heeft Stap uitbesteed aan Aegon AM. Dit betreft 12 bedrijven die niet of mogelijk niet voldoen aan één of meerdere principes van de UN Global Compact, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
| Mensenrechten | Milieu | Corruptie |
|---|---|---|
| 9 | 3 | 0 |
De resultaten van alle engagement trajecten worden in de volgende tabel voor 12 bedrijven weergegeven. Hiervoor wordt een mijlpalenaanpak gehanteerd.
| Mijlpaal 1 | Mijlpaal 2 | Mijlpaal 3 | Mijlpaal 4 |
|---|---|---|---|
| 1 | 4 | 7 | 0 |
De mijlpalen houden het volgende in:
- mijlpaal 1: probleem aangestipt, een bedrijf heeft nog geen reactie gestuurd
- mijlpaal 2: reactie van een bedrijf ontvangen
- mijlpaal 3: bedrijf heeft aangegeven bereid te zijn om een probleem op te willen lossen en heeft concrete vervolgstappen genomen
- mijlpaal 4: doelstelling van de engagement bereikt
Uitsluitingen
De pensioenkring belegt in multi-manager beleggingsfondsen beheerd door Aegon AM. Voor deze fondsen is een uitsluitingsbeleid van toepassing zoals beschreven in hoofdstuk 1.5 Beleggingen.
Stemmen
De uitgebrachte stemmen worden in onderstaande tabel per thema weergegeven. Hierbij wordt tevens aangegeven of er afwijkend van het stemadvies van de onderneming en/of het stemadviesbureau is gestemd.
| Thema | Overname | Kapitaalstructuur | Bestuur | Reorganisatie & fusies | Mensenrechten | Bedrijfsspecifiek | Compensatie | Overig |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitgebrachte stemmen |
43 | 473 | 4.126 | 188 | 15 | 1.592 | 669 | 83 |
| Afwijkend van management onderneming |
0 | 29 | 262 | 28 | 10 | 72 | 105 | 34 |
| Afwijkend van advies stemadviesbureau |
0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen
In de rapportageperiode is bij 6 Nederlandse ondernemingen afwijkend van de aanbeveling van het management gestemd.
Voor de belangrijkste stemmingen wordt hierna benoemd waarom er tegen de aanbeveling van het management van de Nederlandse ondernemingen is gestemd:
- er is tegen het remuneratiebeleid gestemd, omdat deze als buitensporig en niet marktconform wordt bestempeld
- bij een onderneming is er tegen het langetermijn beloningspakket gestemd, omdat deze onvoldoende onderworpen was aan prestatiedoelstellingen
- er is tegen de voorgestelde (her)benoeming van enkele bestuurders gestemd, omdat dit niet in lijn is met good practices voor de samenstelling van het bestuur op het vlak van diversiteit en/of onafhankelijkheid
12.5 Kostentransparantie
Onderstaande overzichten zijn opgesteld conform de Aanbeveling Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Mede op basis van deze aanbevelingen is een deel (30% van de exploitatiekosten) van de uitvoeringskosten pensioenbeheer gealloceerd naar de kosten vermogensbeheer. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | 1.265 | 1.308 | 0,15 | 0,15 |
| Kosten vermogensbeheer | 2.365 | 2.449 | 0,28 | 0,29 |
| Transactiekosten | 506 | 399 | 0,06 | 0,05 |
| Totaal ** | 4.137 | 4.156 | 0,49 | 0,48 |
De hierboven vermelde kosten zijn uitgedrukt in een percentage van het gemiddeld belegd vermogen in het betreffende jaar en worden in de volgende paragrafen nader uitgesplitst en toegelicht.
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
Deze kosten betreffen de kosten pensioenbeheer en de exploitatie van Stap. De wijziging van het weerstandsvermogen wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Administratiekostenvergoeding | 629 | 641 | 0,07 | 0,08 |
| Administratiekostenvergoeding meerwerk | 88 | 68 | 0,01 | 0,01 |
| Exploitatiekosten | 634 | 636 | 0,07 | 0,07 |
| Distributiekosten | 85 | 85 | 0,01 | 0,01 |
| Overige kosten | 49 | 99 | 0,01 | 0,01 |
| Allocatie naar kosten vermogensbeheer | -220 | -221 | -0,03 | -0,03 |
| Totaal ** | 1.265 | 1.308 | 0,15 | 0,15 |
De administratiekostenvergoeding is in 2025 afgenomen doordat het gemiddeld belegd vermogen in 2025 is gedaald. De administratiekostenvergoeding meerwerk bestaat in 2025 uit een vergoeding voor aanvullende dienstverlening en een vergoeding voor meerwerk activiteiten vanuit wet- en regelgeving . Deze is voornamelijk gestegen door kosten voor DORA, WDO en klantsignalen.
De exploitatiekosten betreffen kosten die vanuit de pensioenkring worden betaald aan Stap voor governance (634). Deze kosten bestaan uit een procentuele vergoeding over het belegd vermogen voor Stap, kosten voor de actuariële functie, kosten voor de adviserend actuaris, kosten voor de Pensioenfederatie en Eumedion, kosten die samenhangen met voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door Stap en kosten van het belanghebbendenorgaan. Een deel (30%) van de exploitatiekosten wordt toegerekend aan de kosten vermogensbeheer.
De distributiekosten betreffen kosten die worden betaald aan Stap. De kosten voor distributie en vertegenwoordiging hebben onder meer betrekking op het uitbrengen van offertes voor Multi-client Pensioenkring 2.
Onder overige kosten zijn bankkosten, kosten voor communicatie-uitingen, uitgevoerde onderzoeken en kosten voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door externe adviseurs opgenomen. De overige kosten zijn in 2025 vooral afgenomen door de lagere kosten voor Wtp.
Kosten per deelnemer
De uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde zijn in de volgende tabel weergegeven voor het subtotaal en het totaal van de uitvoeringskosten pensioenbeheer.
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | € | € |
| Totale uitvoeringskosten pensioenbeheer (in € 1.000) | 1.265 | 1.308 |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde (in €) * | 603 | 663 |
De kosten per deelnemer zijn ten opzichte van 2024 op totaalniveau met 9% gedaald door de afname van de totale uitvoeringskosten pensioenbeheer en de stijging van het aantal gepensioneerden.
Voor de kosten per actieve deelnemer/pensioengerechtigde is geen benchmark opgenomen, omdat de meerwaarde van het laten uitvoeren van een benchmark niet opweegt tegen de vergoeding die daarvoor gevraagd wordt. Daarnaast worden de kosten per deelnemer tot de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel beïnvloed door de eenmalige kosten die hiervoor in de uitvoeringskosten pensioenbeheer zijn opgenomen.
Kosten vermogensbeheer
Het bedrag van 2.365 (2024: 2.449) betreft alle door de pensioenkring betaalde kosten vermogensbeheer (direct en indirect).
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Kosten vermogensbeheer | € | € |
| Directe kosten vermogensbeheer | 1.331 | 1.301 |
| Indirecte kosten vermogensbeheer (ten laste van beleggingsresultaat) | 1.034 | 1.148 |
| Totale kosten van vermogensbeheer | 2.365 | 2.449 |
De directe kosten vermogensbeheer bestaan uit de volgende posten:
- dienstverlening integraal balansbeheerder:
- beheervergoeding: dit is een vaste beheervergoeding voor het operationeel vermogensbeheer per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie
- vergoeding advies, administratie en rapportage: dit is de vergoeding voor de integrale dienstverlening conform de uitbestedingsovereenkomst
- overige directe kosten: dit betreft onder andere bankkosten en custody-kosten
- allocatie van de exploitatiekosten van Stap die betrekking hebben op vermogensbeheer
De hoogte van de directe kosten vermogensbeheer (1.331) wijkt af van de weergave in de financiële opstelling (1.392). Een deel van deze directe kosten vermogensbeheer betreffen transactiekosten (55) en deze zijn hierna in de paragraaf "Transactiekosten" verantwoord. Daarnaast wordt een deel van de overige kosten (6) bij de vermogensbeheerder hier onder indirecte kosten verantwoord. De verschillen tussen de financiële opstelling en het bestuursverslag betreffen verschuivingen in de weergave en hebben geen invloed op het totaal aan kosten vermogensbeheer.
De indirecte kosten vermogensbeheer bestaan uit kosten die worden gemaakt binnen de onderliggende beleggingsfondsen. Deze bestaan uit de volgende posten:
- beheervergoeding externe managers: dit is een (basis) vergoeding per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie
- performance fee externe managers: dit is een prestatieafhankelijke vergoeding voor het verslaan van de benchmark door een externe manager
- overige kosten: dit betreft onder andere de vergoeding van de bewaarbank, administratiekosten, accountantskosten en juridische kosten
De kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd in euro’s en als percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen. De volgende tabellen geven dit per beleggingscategorie weer. Het aandeel aan geschatte kosten is beperkt. De schattingen zijn gebaseerd op opgaven van externe managers van kosten in onderliggende beleggingsstructuren.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 391 | 401 | 0,05 | 0,05 |
| Private Equity | 38 | 45 | 0,00 | 0,01 |
| Vastrentende waarden | 1.224 | 1.321 | 0,14 | 0,15 |
| Overig | 492 | 461 | 0,06 | 0,05 |
| Totaal | 2.145 | 2.228 | 0,25 | 0,26 |
| Allocatie vanuit pensioenbeheer | 220 | 221 | 0,03 | 0,03 |
| Totaal ** | 2.365 | 2.449 | 0,28 | 0,29 |
De kosten vermogensbeheer zijn als een percentage van het gemiddeld belegd vermogen in 2025 0,01%-punt lager dan in 2024 (0,29%). De daling van de kosten vermogensbeheer is voornamelijk het gevolg van de gedaalde prestatieafhankelijke vergoedingen binnen de portefeuille met vastrentende waarden.
Transactiekosten
Deze kosten betreffen de toe- en uittredingsvergoedingen van de beleggingsfondsen, de transactiekosten van discretionaire portefeuilles en de derivatentransacties. Deze kosten zijn in het gerapporteerde rendement verwerkt.
Transactiekosten in beleggingsfondsen zijn wel onderdeel van het rendement, maar worden niet apart gespecificeerd. De transactiekosten zijn als volgt bepaald:
- aandelen: op basis van directe transactiekosten zoals commissie en belastingen en indirecte geschatte kosten zoals spread en marktimpact. Indien deze kosten niet aanwezig zijn worden deze vastgesteld op basis van schattingen
- vastrentende waarden en derivaten: van vastrentende waarden zijn de transactiekosten slechts bij benadering vast te stellen. Deze kosten zijn niet zichtbaar bij aan- en verkopen, maar zijn een impliciet onderdeel van de spread tussen bied- en laatkoersen. Binnen deze fondsen worden de transactiekosten geschat op basis van de gemiddelde spread gedurende het jaar en de som van aan- en verkopen
De (geschatte) transactiekosten, waaronder ook de kosten voor toe- en uittreding vallen, worden gerapporteerd in euro’s en als een percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 147 | 120 | 0,02 | 0,01 |
| Vastrentende waarden | 308 | 227 | 0,04 | 0,03 |
| Overig | 51 | 52 | 0,01 | 0,01 |
| Totaal ** | 506 | 399 | 0,06 | 0,05 |
In bovenstaande kosten is een bedrag van 45 (2024: 31) begrepen voor toe-en uittredingskosten van de pensioenkring. Het restant betreft werkelijke en geschatte transactiekosten van de beleggingen.
De transactiekosten in 2025 zijn 0,01%-punt hoger dan vorig jaar (2024: 0,05%). Deze stijging is voornamelijk het gevolg van de hogere kosten in de categorie vastrentende waarden. Dit kan worden verklaard doordat er binnen de beleggingsfondsen van deze categorie meer transactiekosten gemaakt zijn ten opzichte van vorig jaar.
Beleggingskosten en relatie rendement, risico en kosten
De totale kosten vermogensbeheer in 2025 bedroegen 0,28% van het gemiddeld belegd vermogen. Van deze totale kosten bestaat 0,00%-punt (afgerond; 2024: 0,02%-punt) uit prestatieafhankelijke vergoedingen. Een deel van de beleggingsportefeuille wordt namelijk actief beheerd, met als uitgangspunt dat actief beheer voor de geselecteerde beleggingscategorieën op termijn een hoger rendement oplevert.
Het gerealiseerd relatief rendement op de actieve beleggingen was in 2025 negatief, waardoor de actieve beleggingen niet hebben bijgedragen aan een hoger rendement.
Op totaalniveau is het actief risico in de beleggingsportefeuille beperkt. De ex-ante tracking error bedraagt eind 2025 op jaarbasis 0,1%. Een tracking error van 0,1% geeft aan dat de kans dat het rendement van de portefeuille met maximaal 0,1% afwijkt van het rendement van de benchmark ongeveer 66,7% is. En er is ongeveer 5% kans dat de portefeuille met meer dan 0,2% (twee maal de tracking error) afwijkt van de benchmark.
Om het effect van de kosten in relatie tot het totale rendement van de pensioenkring te duiden, geeft onderstaande grafiek weer welke kosten onderdeel uitmaken van het gerapporteerde rendement van de pensioenkring en welke kosten hier buiten vallen. Ter vergelijking worden hierbij de cijfers over het voorgaande boekjaar getoond.

| Toelichting grafiek: | |
| Netto rendement | Rendement na kosten binnen en buiten de beleggingen |
| Kosten niet in gerapporteerd rendement | Kosten die buiten de beleggingsportefeuille om betaald zijn |
| Gerapporteerd rendement | Gerapporteerd rendement van de beleggingen |
| Kosten in gerapporteerd rendement | Kosten binnen de beleggingen (vermogensbeheer en transactiekosten) |
| Bruto rendement | Rendement zonder het effect van kosten |
Uitvoeringskosten en oordeel bestuur
Het bestuur van Stap vindt kostenbeheersing belangrijk. Daarom streeft het bestuur naar een acceptabel kostenniveau in verhouding tot de kwaliteit van de uitvoering en besteedt het bestuur aandacht aan de beheersing van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer en vermogensbeheer.
Jaarlijks wordt voor de pensioenkring een begroting opgesteld. De realisatie van de uitvoeringskosten wordt door het bestuursbureau gemonitord via de maand- en kwartaalrapportages van pensioenbeheer en vermogensbeheer. Op basis van de kwartaalrapportages en via een evaluatie van de uitbestedingsovereenkomsten wordt tevens de kwaliteit van de uitvoering gemonitord.
Het bestuur heeft de uitvoeringskosten beoordeeld en vastgesteld dat deze verklaarbaar en acceptabel zijn in het licht van de gemaakte afspraken.
12.6 Financiële positie en herstelplan (FTK)
Dekkingsgraden
In 2025 is de rentetermijnstructuur (RTS) gestegen, waardoor de technische voorzieningen (TV) van de pensioenkring zijn gedaald. Per saldo heeft de rente in 2025 een positief effect gehad op de ontwikkeling van de feitelijke dekkingsgraad. Een negatief beleggingsrendement van 2,7% heeft gezorgd voor een daling van de feitelijke dekkingsgraad. Uiteindelijk is de feitelijke dekkingsgraad in 2025 gestegen van 117,4% naar 127,8%.
De beleidsdekkingsgraad is in 2025 gestegen van 118,3% naar 122,8% en is hoger dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen van 113,9%. Daarmee is ultimo 2025 sprake van een toereikende solvabiliteit. Eind 2025 bedraagt de dekkingsgraad op basis van marktrente 127,8%. De dekkingsgraad op basis van marktrente wordt bepaald door het pensioenvermogen te delen door de TV op marktwaarde.
| Dekkingsgraad- en renteniveaus | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % | 2025 | 2024 |
| Beleidsdekkingsgraad | 122,8 | 118,3 |
| Feitelijke Dekkingsgraad | 127,8 | 117,4 |
| Dekkingsgraad op basis van marktrente | 127,8 | 117,4 |
| Reële dekkingsgraad | 91,1 | 88,8 |
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,0 | 104,0 |
| Vereiste dekkingsgraad | 113,9 | 113,1 |
| Rekenrente vaststelling TV | 3,17 | 2,18 |
Herstelplan
De pensioenkring hoefde in 2025 geen herstelplan in te dienen, omdat de beleidsdekkingsgraad (118,3%) per 31 december 2024 hoger was dan de dekkingsgraad die hoort bij het vereist vermogen (113,1%). Daardoor had Multi-client Pensioenkring 2 eind 2024 geen reservetekort.
De situatie is eind 2025 ongewijzigd, omdat de beleidsdekkingsgraad per 31 december 2025 (122,8%) eveneens hoger is dan de vereiste dekkingsgraad per 31 december 2025 (113,9%).
Minimaal vereist vermogen
Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende vijf achtereenvolgende jaren (6 peilmomenten) lager is dan het vermogen dat hoort bij het minimaal vereist vermogen, dienen de pensioenaanspraken en -rechten te worden gekort. Dit betreft de korting op basis van de Maatregel minimaal vereist eigen vermogen (de zogenoemde MVEV-korting). Het korten is hierbij onvoorwaardelijk, maar mag worden verdeeld over (maximaal) 10 jaar.
Ultimo 2025 is de beleidsdekkingsgraad (122,8%) hoger dan de dekkingsgraad die hoort bij het minimaal vereist vermogen (104,0%). De MVEV-korting is per 31 december 2025 voor Multi-client Pensioenkring 2 dus niet aan de orde.
Toekomst Bestendig Indexeren (TBI)
Vanuit het wettelijk kader is toekomstbestendigheid het uitgangspunt voor toeslagverlening. Dit houdt onder meer in dat het beschikbare vermogen boven een beleidsdekkingsgraad van 110,0% bepalend is om een bepaalde toeslag levenslang, toe te kunnen kennen. De levenslange toeslag wordt bepaald op grond van het verwachte gemiddelde toekomstige consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen afgeleid. De grens voor Toekomst Bestendig Indexeren (TBI-grens) is de grens waarbij de pensioenkring op basis van toekomstbestendige toeslagverlening de volledige toeslag kan toekennen. Deze grens was voor Multi-client Pensioenkring 2 per 30 september 2025 gelijk aan 136,8%.
Toeslagbeleid
Het toeslagbeleid van Multi-client Pensioenkring 2 is voorwaardelijk. De toeslag op de pensioenaanspraken en -rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden wordt gebaseerd op de wijziging van het consumentenprijsindexcijfer voor alle huishoudens (afgeleid). Dit wordt bepaald aan de hand van de wijziging van de index over de maand september van het jaar voorafgaande aan de toeslagverlening en de maand september van het daaraan voorafgaande jaar.
Een negatieve inflatie (deflatie) zal niet leiden tot een neerwaartse aanpassing. Het toeslagpercentage zal alsdan gesteld worden op 0. Een eventuele deflatie in enig jaar zal bij het vaststellen van de cumulatieve toeslagachterstand wel in aanmerking genomen worden. Het streven is een realistisch toeslagbeleid op basis van het consumentenprijsindexcijfer voor alle huishoudens (afgeleid). Het beleid is erop gericht om op de lange termijn 50% van de stijging van de prijsindex door middel van toeslagen te compenseren.
Per 31 december 2025 is een toeslag verleend van 1,37% (2024: 0,92%) aan de actieve deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van Multi-client Pensioenkring 2.
Richtlijnen voor toeslagen
Voor het toeslagbeleid van Multi-client Pensioenkring 2 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- het toeslagbeleid is voorwaardelijk en afhankelijk van het behaalde beleggingsrendement op lange termijn. Dit komt tot uitdrukking in de hoogte van de beleidsdekkingsgraad van de pensioenkring
- met behaald beleggingsrendement wordt bedoeld het beleggingsrendement dat resteert na de toevoeging aan de technische voorzieningen van het benodigde rendement en de wijziging van de rentetermijnstructuur. Dit rendement wordt jaarlijks verwerkt via het eigen vermogen van de pensioenkring. De te verlenen toeslag is daarmee in feite afhankelijk van de beleidsdekkingsgraad (BDG) op enig moment
- toeslagen worden gegeven op grond van een toekomstbestendige toeslagverlening. Dit houdt in beginsel het volgende in:
- bij een BDG die lager is dan 110% worden er geen toeslagen verleend
- bij een BDG boven de TBI-grens kan de volledige toeslag worden gegeven
- bij een BDG tussen de 110% en de TBI-grens kan een toeslag worden gegeven die naar verwachting in de toekomst te realiseren is (ongeveer naar rato)
- de BDG wordt bepaald door het gemiddelde van de feitelijke dekkingsgraden te nemen over de afgelopen 12 maanden. De BDG per 30 september is leidend voor de bepaling van de toeslag
- de TBI-grens wordt jaarlijks bepaald door het vermogen vast te stellen wat nodig is boven een BDG van 110% om een levenslange samengestelde toeslag van de CPI te geven
- inhaaltoeslagen kunnen gegeven worden indien de BDG hoger is dan de TBI-grens en het vereist eigen vermogen-niveau
- het bestuur heeft de discretionaire bevoegdheid om binnen de wettelijke grenzen van de berekende toeslag af te wijken
Inhaaltoeslag
Wanneer de BDG boven de TBI-grens uitkomt, mag 20% van het vermogen boven deze grens gebruikt worden voor het ongedaan maken van kortingen en of het inhalen van gemiste toeslagen. Het inhalen van een eventuele indexatieachterstand en herstel van kortingen zal in onderstaande volgorde worden toegepast:
- volledige toeslagverlening
- herstel van kortingen
- inhaal van indexatieachterstand
12.7 Actuariële paragraaf
Het verloop van de technische voorzieningen werd voor een groot deel bepaald door de bewegingen van marktrentes, beleggingsrendementen en de verleende toeslagen.
In onderstaande tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van de pensioenkring vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen wijken af van de bedragen in de jaarrekening, die boekhoudkundig zijn bepaald.
| (bedragen x € 1.000) | ||
|---|---|---|
| Categorie resultaat | 2025 | 2024 |
| Resultaat op beleggingen | -42.301 | 31.908 |
| Resultaat op wijziging RTS | 104.027 | -12.146 |
| Resultaat op premie | 101 | 200 |
| Resultaat op waardeoverdrachten | 170 | 265 |
| Resultaat op kosten | -123 | -267 |
| Resultaat op uitkeringen | -70 | 46 |
| Resultaat op kanssystemen | 1.893 | -1.342 |
| Resultaat op toeslagverlening | -10.241 | -6.475 |
| Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | -2.972 | 1.578 |
| Resultaat op andere oorzaken | 15 | 21 |
| Totaal saldo van baten en lasten | 50.499 | 13.788 |
Toelichting actuarieel resultaat
In 2025 zijn de volgende belangrijke effecten in het actuarieel resultaat te onderscheiden. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:
- alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten van het vermogensbeheer
- de benodigde intresttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars ‘spot rate’ uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaar aan de start van de analyseperiode
Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt -42.301. Op dit resultaat is uitgebreid ingegaan in het hoofdstuk ‘Vermogensbeheer’. Het resultaat op beleggingen draagt in 2025 negatief bij aan de ontwikkeling van dekkingsgraad.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De RTS ultimo 2025 ligt gemiddeld genomen boven de RTS ultimo 2024. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente in 2025 met circa 0,99%-punt gestegen. Dit heeft geleid tot een afname van de technische voorzieningen en dus tot een positief resultaat. Het resultaat hiervan bedraagt 104.027.
Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte, pensionering en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op kanssystemen bedraagt 1.893.
Toeslagverlening
Per 31 december 2025 is een toeslag van 1,37% (2024: 0,92%) verleend aan de actieve deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van Multi-client Pensioenkring 2. Het resultaat op toeslagverlening in het boekjaar bedraagt -10.241.
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Het resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen bedraagt -2.972. Dit resultaat wordt veroorzaakt door de actualisatie van de kostenvoorziening.
Kostendekkende premie
De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw, de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid en de opslag voor uitvoeringskosten.
In de volgende tabel is een overzicht met de premies opgenomen. De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur. Voor de vaststelling van de gedempte premie wordt uitgegaan van het verwachte rendement. De berekening van de gedempte premie is gebaseerd op een verwacht rendement op basis van het huidige beleggingsbeleid, de looptijdsafhankelijke rendementscurve en de in te rekenen toeslagopslag van 2% als bedoeld in het nieuwe Financieel Toetsingskader Pensioenen. Deze curve geldt voor de periode 1 januari 2024 tot 1 januari 2029 (of de eerdere transitiedatum naar het nieuwe pensioenstelsel).
| Premie voor risico pensioenkring | ||||
|---|---|---|---|---|
| (bedragen x € 1.000) | Premie RTS |
Premie gedempt |
Premie feitelijk |
|
| Actuarieel benodigde premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen van de regeling |
regulier | 2.418 | 1.363 | 2.370 |
| risicopremie overlijden |
100 | 100 | 100 | |
| Opslag voor toekomstige uitvoeringskosten | 104 | 68 | 100 | |
| De risicopremie voor WIA-excedent en premievrijstelling bij invaliditeit | 81 | 81 | 81 | |
| Solvabiliteitsopslag | 317 | 179 | 237 | |
| Actuarieel benodigd voor voorwaardelijke inkoop | 0 | 963 | 0 | |
| Toetswaarde premie | 3.020 | 2.754 | 2.888 | |
| Overige premie | ||||
| Afrekening vorig boekjaar | 0 | 0 | 0 | |
| Opslag weerstandsvermogen | 0 | 0 | 0 | |
| Totaal | 3.020 | 2.754 | 2.888 |
De pensioenkring voldoet aan de eis dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte premie.
Vereist vermogen
Het vereist vermogen is gebaseerd op het strategisch beleggingsbeleid en is vastgesteld op 113,9%. Indien het vereist vermogen bepaald zou zijn op basis van de actuele beleggingen zou deze uitkomen op 114,3%.
12.8 Risicoparagraaf
Bij het bepalen van het beleid en het nemen van belangrijke besluiten maakt het bestuur een afweging tussen risico, rendement en beheersing van de risico’s. Daarbij heeft het bestuur bovendien grenzen (risicobereidheid) gedefinieerd aan de omvang van de risico’s. Het beleid is vastgelegd in de ABTN van de pensioenkring en het financieel crisisplan. In 2025 zijn geen wijzigingen aangebracht in de risicobereidheid van de pensioenkring.
Integraal Risicomanagement
In het hoofdstuk Integraal Risicomanagement van Stap is de beschrijving van het Integraal Risicomanagement op instellingsniveau opgenomen. Deze beschrijving is van toepassing op alle Pensioenkringen.
Doelstellingen en risicobereidheid
Op het niveau van de Pensioenkringen zijn specifieke doelstellingen voor de Pensioenkringen bepaald. Hierbij is een verdeling gemaakt naar financiële en niet-financiële doelstellingen. Om deze doelstellingen te behalen is per Pensioenkring de risicobereidheid bepaald. In onderstaande tabel wordt de risicobereidheid voor de doelstellingen op het niveau van de Pensioenkring weergegeven. Voor de risicobereidheid bij de doelstellingen op het niveau van Stap wordt verwezen naar het hoofdstuk Integraal Risicomanagement.
| Doelstelling niveau pensioenkring | Risicobereidheid Multi-client Pensioenkring 2 |
|---|---|
| Financiële doelstellingen | |
| Verantwoorde pensioenopbouw binnen de pensioenkring. | De minimale premiedekkingsgraad van Multi-client Pensioenkring 2 voldoet aan de uitgangspunten van het premiebeleid. |
| Behoud nominale aanspraken binnen de pensioenkring. | Risicobereidheid op korte termijn: Risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van het vereist eigen vermogen (VEV) en is gelijk aan 14% met een bandbreedte tussen 12% en 16%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. |
| Streven naar waardevast houden van pensioenrechten. Specifiek voor Multi-client Pensioenkring 2 is dit vertaald naar: een voorwaardelijke toeslagambitie van 50% van de maatstaf. De maatstaf wordt jaarlijks vastgesteld als de procentuele jaarstijging van het consumentenprijsindexcijfer (CPI) alle huishoudens (afgeleid) per 30 september. |
Risicobereidheid op korte termijn: Risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van VEV en is gelijk aan 14% met een bandbreedte tussen 12% en 16%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. Risicobereidheid op lange termijn: Passend binnen de gestelde grenzen uit de aanvangshaalbaarheidstoets. Gebaseerd op de voorgeschreven uitgangspunten en parameters van de haalbaarheidstoets (hierna: “HBT”) is een drietal beleidskaders geformuleerd: • vanuit de financiële positie waarbij aan het VEV wordt voldaan, is de ondergrens op fondsniveau van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) uit de HBT gelijk aan 85% • vanuit de actuele financiële positie is de ondergrens op fondsniveau van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) uit de HBT gelijk aan 85% • vanuit de actuele financiële positie is de afwijking van het pensioenresultaat in het slechtweerscenario (5e percentiel) ten opzichte van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) maximaal 29% |
| Niet-financiële doelstellingen | |
| Adequate communicatie. Specifiek voor Multi-client Pensioenkring 2 is dit vertaald naar: • een proactieve en inzichtelijke deelnemerscommunicatie zodat deelnemers bewust zijn van hun pensioeninkomen en in staat zijn naar eigen inzicht keuzes te maken over hun pensioen • kennis en inzicht verschaffen aan de werkgever voor een passende arbeidsvoorwaarde pensioen |
De risicobereidheid is risicoavers. Uitgangspunt is dat alle deelnemers en werkgever juist, volledig en tijdig geïnformeerd worden. |
Risico-inschatting en -beheersing
Zoals in het hoofdstuk integraal risicomanagement is benoemd identificeert en beoordeelt het bestuur van Stap de risico's van Stap en de pensioenkringen op een gestructureerde wijze met een Risico Self Assessment (RSA). De geïdentificeerde risico's worden door het bestuur kwalitatief beoordeeld voor de kans dat deze risico’s zich manifesteren, alsmede voor de impact die deze risico’s hebben op het behalen van de doelstellingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar het bruto risico, het netto risico en de risico reactie. Zo wordt er inzicht verkregen in de risico's die Stap loopt, welke beheersmaatregelen zijn genomen en de effectiviteit daarvan, evenals in de beheersmaatregelen die nog genomen moeten worden of gewenst zijn.
Voor boekjaar 2025 is de RSA eind 2025 uitgevoerd op het niveau van Stap en op het niveau van de pensioenkringen. De RSA betreft alle risico´s die Stap onderscheidt. Daaronder zijn de Systematische Integriteitrisicoanalyse (SIRA) en het risico self assessment voor ICT (RSA ICT) als bijzondere aandachtsgebieden begrepen.
Risico's met mogelijke impact op financiële positie pensioenkring
Elke pensioenkring heeft te maken met financiële risico’s om haar doelstellingen behalen. Het bestuur is van mening dat door het inzetten van effectieve beheersmaatregelen de impact op een ongunstige gebeurtenis wordt verkleind.
Voor de belangrijkste financiële en niet-financiële risico’s wordt in hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen toegelicht wat de impact van deze mogelijk ongunstige gebeurtenissen is op de financiële positie van de pensioenkringen van Stap. Hierna wordt voor (de afdekking van) het renterisico en het marktrisico de specifieke informatie voor de pensioenkring toegelicht.
Matching/Renterisico
Het matching en renterisico is in hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen toegelicht voor alle pensioenkringen.
Voor de pensioenkring toont de volgende figuur de gerealiseerde afdekking van het renterisico ten opzichte van de strategische afdekking van het renterisico en de ex-ante mate van afdekking van het renterisico, zoals op de laatste dag van de voorgaande maand is vastgesteld. Zichtbaar is dat gedurende 2025 zowel de benchmark voor de afdekking van het renterisico als de werkelijke afdekking van het renterisico zich dicht bij strategische mate van afdekking van het renterisico bevonden. Indien de benchmark voor de afdekking van het renterisico zich buiten de bandbreedte bevindt, worden transacties uitgevoerd om de afdekking van het renterisico bij te sturen naar de strategische mate van de afdekking van het renterisico.

Toelichting grafiek
- de blauwe balken tonen de ex-ante mate van afdekking van het renterisico (benchmark afdekking) zoals op maandeinde van de voorgaande maand is vastgesteld. In feite is dit de verwachte afdekking van het renterisico gedurende de daaropvolgende maand. De benchmark afdekking van het renterisico wordt bepaald aan de hand van de actuele rentegevoeligheid van renteswaps en beleggingen die een onderdeel zijn van de matching portefeuille en de actuele rentegevoeligheid van de verplichtingen. Deze waarde is weergegeven in de horizontale as
- de rode horizontale strepen tonen de strategisch gewenste mate van afdekking van het renterisico. De strategische mate van afdekking van het renterisico is afhankelijk van de huidige rentestand. Periodiek wordt gemonitord of de benchmark afdekking van het renterisico zich binnen de bandbreedtes rondom de strategische mate van afdekking van het renterisico bevindt
- de gele balken tonen de waardeontwikkeling van de vastrentende waarden en renteswaps als gevolg van de rentemutatie (exclusief het spreadrendement)
- de afdekking van het renterisico wordt maandelijks berekend door de rentegevoeligheid van de beleggingen te delen door de rentegevoeligheid van de verplichtingen
Gedurende 2025 is de strategische mate van afdekking van het renterisico verhoogd van 70,0% naar 85,0%.
Marktrisico
In hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen is het marktrisico voor alle pensioenkringen toegelicht.
Scenario's dekkingsgraad voor markt- en renterisico per einde boekjaar
De volgende tabel geeft de gevoeligheid van de dekkingsgraad (op basis van de rentetermijnstructuur inclusief UFR) weer voor het rente- en aandelenrisico waarbij beide risico’s zich gecombineerd voordoen. De actuele portefeuille geldt als uitgangspunt. Dat wil zeggen dat de actuele mate van afdekking van het renterisico wordt gehanteerd. Er wordt verondersteld dat beide risico’s zich manifesteren als een instantane schok, dus als een schok ineens zonder tussenstappen. De afdekking van het renterisico blijft dan ook in de gehele schok hetzelfde en wordt dus niet gedurende de schok aangepast conform de rentestaffel. Verder wordt verondersteld dat de andere beleggingen onveranderd blijven. De aandelenkoersen variëren hierbij tussen de -20% en +20%. De rente varieert tussen -1,5% en +1,5% ten opzichte van het renteniveau op het einde van de maand.
| Rente | -1,50% | -1,00% | -0,50% | 0,00% | 0,50% | 1,00% | 1,50% |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandelen | |||||||
| 20% | 124,4 | 127,8 | 131,3 | 134,8 | 138,4 | 142,0 | 145,7 |
| 10% | 121,6 | 124,8 | 128,0 | 131,3 | 134,6 | 138,0 | 141,4 |
| 0% | 118,9 | 121,8 | 124,8 | 127,8 | 130,9 | 134,0 | 137,1 |
| -10% | 116,1 | 118,8 | 121,5 | 124,3 | 127,1 | 130,0 | 132,8 |
| -20% | 113,3 | 115,8 | 118,3 | 120,8 | 123,4 | 125,9 | 128,5 |
12.9 Verslag van het belanghebbendenorgaan van Multi-client Pensioenkring 2
Belanghebbendenorgaan Multi-client Pensioenkring 2
Het belanghebbendenorgaan van Multi-client Pensioenkring 2 is per 1 januari 2017 ingesteld. Dat is de datum waarop Multi-client Pensioenkring 2 van start is gegaan.
Samenstelling Belanghebbendenorgaan Multi-client Pensioenkring 2
Het belanghebbendenorgaan bestaat uit de vertegenwoordiging van de geledingen van de werkgevers, (gewezen) deelnemers en gepensioneerden en bestaat eind 2025 uit vier leden.
Met ingang van februari 2025 is mevrouw Gieta Veersma toehoorder geworden.
De samenstelling van het belanghebbendenorgaan is per datum van publicatie van het jaarverslag 2025 als volgt:
- Paul van Driessen (voorzitter) - namens pensioengerechtigden
- Gert Tuinsma – namens de gewezen deelnemers
- Mark Marseille - namens de werkgevers
- Lars Strijdonk - namens de deelnemers
- Gieta Veersma - toehoorder
Taken en bevoegdheden
De taken en bevoegdheden van het belanghebbendenorgaan worden bepaald door het wettelijke kader, de Code Pensioenfondsen, de statuten en de reglementen van Stap.
Vergaderingen van het belanghebbendenorgaan in 2025
Het belanghebbendenorgaan ontvangt stukken voor vergaderingen, informatie en rapportages over de pensioenkring van het bestuursbureau via een digitale omgeving. Elk (aspirant) lid van het belanghebbendenorgaan is hiervoor geautoriseerd.
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 twee vergaderingen gehad met het bestuur. De eerste vergadering met het bestuur vond plaats in mei. Deze vergadering stond in het teken van het deel-jaarverslag 2024 met de financiële opstelling van Multi-client Pensioenkring 2. De tweede vergadering vond plaats in december. In deze vergadering zijn onderwerpen zoals het beleggingsplan 2026, de pensioenopbouw en premies voor 2026, het pensioenreglement 2026 en de reglementsfactoren, de toeslagverlening, het communicatiejaarplan en het jaarplan 2026 van de pensioenkring behandeld. In beide vergaderingen met het bestuur is opnieuw veel aandacht geweest voor de Wet toekomst pensioenen.
Verder heeft in november een delegatie van het bestuur de leden van het belanghebbendenorgaan in een aparte vergadering geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de Wtp en de toekomst van Pensioenkring 2.
In mei 2025 heeft het belanghebbendenorgaan overleg gevoerd met de raad van toezicht. Er is o.a. gesproken over de gang van zaken bij Stap en de ontwikkelingen op het gebied van de Wtp.
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 vijf eigen vergaderingen gehad. Bij deze vergaderingen is een delegatie van het bestuursbureau namens het bestuur aanwezig geweest. In deze vergaderingen zijn de onderwerpen behandeld die in de vergaderingen met het bestuur op de agenda stonden. Naast de onderwerpen waarvoor het belanghebbendenorgaan goedkeurings- of adviesrechten heeft (separaat vermeld) zijn verder de volgende onderwerpen behandeld:
- videobellen
- resultaten campagnes 2025
- wet toekomst pensioenen
- wet digitale overheid
- relatiecommunicatieplan
- stap Academy
- haalbaarheidstoets
- beleggingsplan 2025 en 2026
- risicomanagement
- onderzoek Edmond Halley
- de Actuariële- en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) 2025
- opleidingen BO-leden
In de eigen vergaderingen van het belanghebbendenorgaan zijn verder de maand- en kwartaalrapportages en de risicomanagementrapportages van de pensioenkring behandeld. Het belanghebbendenorgaan heeft in de eigen vergaderingen verdiepende vragen gesteld naar aanleiding van deze rapportages. Deze vragen zijn door het bestuursbureau beantwoord.
Verslag 2025
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 goedkeuring verleend aan de volgende voorstellen van het bestuur ten aanzien van Pensioenkring 2:
- de opzet van de zelfevaluatie van het belanghebbendenorgaan onder begeleiding van een externe partij (uit te voeren in 2026)
- pensioenpremie en pensioenopbouw 2026
- het jaarplan en de begroting 2026 van de pensioenkring
- de vergaderplanning voor 2026
- verhoging renterisico-afdekking van 70% naar 85%
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 positief advies gegeven over de volgende voorstellen van het bestuur ten aanzien van Pensioenkring 2:
- het jaarverslag en de financiële opstelling van de pensioenkring over 2024
- het pensioenreglement per 1 januari 2026 inclusief reglementsfactoren per 1 juli 2026 en de uitvoeringsovereenkomsten van de pensioenkring
- het communicatiejaarplan 2026 van de pensioenkring
Beoordeling en bevindingen
De beoordeling en bevindingen hebben betrekking op het verslagjaar 2025. Het belanghebbendenorgaan heeft over deze periode het volgende oordeel en bevindingen.
Financieel
De financiële markten waren volatiel maar ook veerkrachtig in 2025. Per saldo liep de beleidsdekkingsgraad in 2025 op. De rekenrente (RTS) steeg in 2025 van 2,18% naar 3,17% en het beleggingsrendement bedroeg -2,7%. Per saldo steeg de dekkingsgraad van 117,4% naar 127,8%. De beleidsdekkingsgraad steeg van 118,3% naar 122,8%. De renterisicoafdekking is in het vierde kwartaal verhoogd van 70% naar 85%.
Beleggingen
Het totale beleggingsrendement in 2025 bedroeg -2,7%. De categorie aandelen droeg 0,6% bij aan het totaalrendement, en de vastrentende waardes -0,50%. Verder zorgde de overlay (resultaten uit valuta swaps en renteforwards) nog voor een bijdrage van -3,3%.
In november is het beleggingsbeleid geëvalueerd. Er was alleen sprake van een aantal operationele aanpassingen, namelijk het herijken van de bandbreedtes van staatsobligaties, het wijzigen van de minimum allocatie naar staatsobligaties, de herijking van de maximum bandbreedte op private equity en een aanpassing van de valutarisico-afdekking.
Toeslagverlening
Maatstaf voor de toeslagverlening is de ontwikkeling van de afgeleide Consumenten Prijs Index (CPI). Per september 2025 is deze uitgekomen op 3,16%. Op basis van de financiële positie per 30 september 2025 kon Pensioenkring 2 per 31 december 2025 aan alle deelnemers van de pensioenkring een gedeeltelijke toeslag verlenen van 1,37%. Het inhalen van de gemiste toeslagen was niet aan de orde omdat de beleidsdekkingsgraad onder de TBI-grens lag. De onvolledige toeslag werd wel verrekend met de toeslagachterstand. Dit is onderdeel van het toeslagbeleid van Multi-client Pensioenkring 2. De maximale cumulatieve achterstand bedroeg daarmee per 31 december 2025 26,76%.
Wet toekomst pensioenen (Wtp)
Naar aanleiding van de door het bestuur in het vierde kwartaal van 2024 getrokken conclusie dat invaren voor PK 2 niet mogelijk was vanwege de onmogelijkheid om alle deelnemers te verbinden aan een set van sociale partners, heeft het bestuur in maart 2025 een toekomstvisie aan het BO voorgelegd: doorgaan in het huidige stelsel (nFtK).
Invaren van PK 2 was niet mogelijk vanwege het feit dat om in te varen een invaarverzoek van alle werkgevers en sociale partners moet worden gedaan ingevolge de bestaande wet- en regelgeving en ondanks inspanningen van het bestuur niet alle werkgevers te achterhalen waren of zouden zijn. De wel bekende werkgevers hadden de facto óf geen of een voorwaardelijk invaarverzoek gedaan óf een niet werkbaar voorstel (bijvoorbeeld invaren onder twee wettelijk mogelijke stelsels) gedaan.
Het BO wenste niet een overleg aan te gaan over het voortzetten van de pensioenregeling in het nFtK, doch onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden tot invaren. In het bijzonder door het maken van (nieuwe) berekeningen op basis van de alstoen hogere dekkingsgraad en door verhoogde inspanningen om nog niet achterhaalde werkgevers te bereiken. Door het aantonen van verhoogde inspanningen én het realiseren van invaarverzoeken van nagenoeg alle werkgevers (met nagenoeg het gehele bedrag aan technische voorzieningen aanwijsbaar aan deelnemers van deze werkgevers) zou naar de mening van het BO gebaseerd op een aanbeveling van de regeringscommissaris Wtp, redelijkerwijze tegemoet gekomen kunnen worden aan het door de wet -en door DNB te handhaven- gestelde vereiste inzake de aanwezigheid van invaarverzoeken door alle werkgevers en zou invaren niet uitgesloten moeten worden geacht.
Omdat het bestuur geen bereidheid toonde om doorrekeningen te laten maken, heeft het BO uiteindelijk een tweetal (actuarieel en juridisch) adviseurs ingeschakeld om zich te laten ondersteunen bij het Wtp-vraagstuk en in het bijzonder bij de vraag naar de aantrekkelijkheid van het invaren onder Wtp, dat immers de default optie is. Naar de mening van de actuariële adviseur zou de default optie zeker nader onderzocht moeten worden vanwege prima facie aantrekkelijkheid. Naar de mening van de juridisch adviseur zouden de werkgevers een zorgplicht met betrekking tot hun voormalig werknemers en werknemers die deelnemer in PK 2 zijn hebben om nader de default optie te bestuderen gelet op de veranderde omstandigheden (lees hogere dekkingsgraad).
Uit het overleg tussen BO en het bestuur is gebleken dat het bestuur een initiatief wilde ontplooien om met de hen wel bekende werkgevers in contact te treden om de default optie door te rekenen. Het bestuur wilde de business case van invaren niet verder onderzoeken.
Het BO is erover geïnformeerd dat vanaf eind september 2025 een aantal voormalige werknemers - tevens BO lid en met kennisgeving vooraf aan het bestuur - contact hebben gezocht met hun voormalige werkgevers van de zogenoemde voormalige Sanoma Groep populatie om deze werkgevers ertoe te bewegen doorrekeningen ten behoeve van een invaarverzoek te doen en een transitieplan op te stellen. Het BO heeft begrepen dat -naar de mening van deze werknemers- de werkgevers van de prima facie aantrekkelijkheid van de default optie tot invaren in het belang van hun voormalige werknemers onvoldoende op de hoogte waren en daarvan op de hoogte gesteld moesten worden met het verzoek zich bij Stap te melden ter bespreking van nader onderzoek naar mogelijk invaren.
Eind december 2025 hebben deze Sanoma Groep werkgevers besloten om aan Stap te verzoeken om doorrekeningen te maken ter bestudering van de mogelijkheden om in te varen.
De (voormalige) Sanoma Groep werkgevers hebben inmiddels een transitieplan ondertekend. Het ziet het ernaar uit dat een aantal andere grote werkgevers zich eveneens zullen aansluiten bij dit transitieplan en derhalve eveneens een ondertekend transitieplan zullen indienen bij Stap.
Informatie-uitwisseling
Het belanghebbendenorgaan ontvangt informatie en rapportages over de pensioenkring van het bestuursbureau via een eigen digitale vergaderomgeving. Dit betreft onder andere maand- en kwartaalrapportages en per kwartaal een risicomanagementrapportage. Daarnaast ontvangt het belanghebbendenorgaan tenminste maandelijks een nieuwsbrief over de actualiteiten. Deze frequentie wordt verhoogd wanneer hiertoe aanleiding is. Verder hebben de leden van het belanghebbendenorgaan toegang tot SPO-Perform.
In februari en september hebben leden van het belanghebbendenorgaan deelgenomen aan door Stap georganiseerde themamiddagen. Op beide themamiddagen is ruim aandacht gegeven aan de Wtp en de ‘lessons learned’ met betrekking tot de eerste pensioenkring van Stap per 1 mei 2025 heeft ingevaren in het nieuwe stelsel, namelijk Holland Casino. Daarnaast waren o.a. de werkwijze van het bestuursbureau, de rollen en bevoegdheden van belanghebbendenorganen bij transitie, klantsignalen & klant feedback management en de jaarlijkse awareness sessie compliance onderwerpen die eveneens aan de orde zijn gekomen.
Zelfevaluatie
In februari 2026 heeft het BO onder begeleiding van een externe onafhankelijke partij (Kool Corporate Communication BV), een zelfevaluatie uitgevoerd. De evaluatie had als doel het functioneren van het BO te toetsen en waar nodig te versterken, conform de Code Pensioenfondsen 2024.
Uit de evaluatie komt naar voren dat het BO als geheel effectief functioneert. Er is sprake van een constructieve samenwerking, een open dialoog en een hoge mate van betrokkenheid en aanwezigheid van de leden. De diversiteit in achtergrond en expertise draagt bij aan een evenwichtige oordeelsvorming.
De aanwezige kennis en competenties worden als passend beoordeeld voor de huidige taakvervulling. Tegelijkertijd wordt ingezet op verdere ontwikkeling en spreiding van kennis binnen het BO, mede in het kader van permanente educatie en versterking van de inhoudelijke dialoog.
De besluitvorming verloopt zorgvuldig en overwegend op basis van consensus. Aandachtspunt is het verder versterken van de interne dialoog ter ondersteuning van een evenwichtige besluitvorming.
De samenwerking en interactie met het bestuur vragen blijvende aandacht. Het BO blijft zich inzetten voor een constructieve invulling van deze relatie, met oog voor ieders rol en verantwoordelijkheid binnen het governancekader, en met als uitgangspunt het zorgvuldig behartigen van de belangen van de deelnemers.
De ondersteuning door het bestuursbureau wordt als adequaat en professioneel ervaren. De communicatie met de achterban blijft een aandachtspunt, mede gezien de kenmerken van het fonds, waarbij verdere verkenning plaatsvindt naar passende vormen van transparante en doelgerichte communicatie.
Het BO concludeert dat het functioneren in algemene zin goed is en in lijn met de geldende normen. De geïdentificeerde aandachtspunten worden benut als input voor verdere professionalisering en versterking van de governance.
Verslaglegging en verantwoording
Ten aanzien van verslagleggingen en verantwoording is het belanghebbendenorgaan van mening dat er adequate maand- en kwartaalrapportages en risicomanagementrapportages worden verstrekt die ruim voldoende diepgang verschaffen om de taken en verantwoordelijkheden uit te voeren.
Vooruitblik
Nu het invaren de meest waarschijnlijke optie voor de toekomst van PK 2 is (afhankelijk van de voorbehouden van opdrachtaanvaarding, instemming van de Stap/PK 2 fondsorganen en verklaring van geen bezwaar van externe toezichthouders), verwacht het BO dat het invaren van de gehele kring succesvol kan worden afgerond met het verder invulling geven in 2026 aan het beschermen van de dekkingsgraad en daarmee de invaarbonus voor de deelnemers.
Het totale oordeel
Zoals ook al vermeld in het oordeel over 2024, beoordeelt het BO de behandeling door het bestuur van het Wtp-invaartraject vanuit het formele kader van afwezigheid van verzoeken van werkgevers en niet vanuit de inhoudelijke afweging van belangen van deelnemers bij invaren. Hierdoor heeft het BO en hebben, naar berichtgeving aan het BO, diverse voormalige werknemers bovenmatige inspanningen moeten verrichten om het invaardossier in de goede richting tot invaren te krijgen. Het simpele feit dat het invaren thans de default optie voor PK 2 is geworden, spreekt boekdelen over de afwachtende houding van het bestuur in de periode van (zeker) juli 2025 tot eind december 2025 over de relevantie tot invaren.
De samenwerking en interactie met het bestuur vragen blijvende aandacht.
Utrecht, 27 mei 2026
Belanghebbendenorgaan Multi-client Pensioenkring 2
Paul van Driessen (voorzitter)
Gert Tuinsma
Mark Marseille
Lars Strijdonk
Gieta Veersma (toehoorder)
Reactie bestuur
Het bestuur heeft kennisgenomen van het verslag van het belanghebbendenorgaan van Multi-client Pensioenkring 2. Het bestuur herkent zich niet in het oordeel van het BO. Het bestuur van Stap is er, net als het belanghebbendenorgaan, alles aan gelegen om de belangen van de (gewezen) deelnemers van Pensioenkring 2 zo goed mogelijk te behartigen. Daarbij is van belang dat ieder dat doet vanuit de eigen rol en daarbij behorende taken en binnen de kaders en mogelijkheden van de wet- en regelgeving.
Geconstateerd is dat er bij de toezichthouder sprake is van voortschrijdend inzicht ten aanzien van invaren van een multi-clientkring. Daarnaast hebben gewijzigde marktomstandigheden geleid tot de bereidheid tot invaren bij de sociale partners van de grootste werkgevers die verantwoordelijk zijn voor het arbeidsvoorwaardelijke proces van de pensioentransitie. Inmiddels loopt het invaarproces en wordt toegewerkt naar de beoogde transitie naar de solidaire premieregeling per 1 januari 2028.
Het bestuur bedankt het belanghebbendenorgaan voor haar inzet in 2025 en de dialoog over het invaren en de toekomst van Pensioenkring 2. Het bestuur blijft graag met het belanghebbendenorgaan in gesprek en zet het proces van invaren graag op constructieve wijze samen met het belanghebbendenorgaan voort.