3.
3.1 Kerngegevens
| 2025 | 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal deelnemers | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 26 | 31 | 33 | 36 | 41 | ||||
| Gewezen deelnemers | 3.375 | 3.626 | 3.841 | 4.524 | 4.749 | ||||
| Pensioengerechtigden | 3.216 | 3.068 | 2.937 | 2.853 | 2.748 | ||||
| Totaal | 6.617 | 6.725 | 6.811 | 7.413 | 7.538 | ||||
| Dekkingsgraad | |||||||||
| Beleidsdekkingsgraad | 127,0% | 125,2% | 120,4% | 125,2% | 119,9% | ||||
| Feitelijke dekkingsgraad | 128,4% | 124,8% | 122,0% | 117,2% | 125,0% | ||||
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,0% | 104,0% | 104,0% | 104,0% | 104,0% | ||||
| Vereiste dekkingsgraad | 114,5% | 114,5% | 114,4% | 114,3% | 115,0% | ||||
| Financiële positie (in € 1.000) | |||||||||
| Pensioenvermogen | 559.648 | 598.030 | 581.705 | 554.720 | 751.571 | ||||
| Voorzieningen pensioenverplichtingen voor risico pensioenkring * | 425.534 | 468.595 | 465.903 | 461.794 | 586.997 | ||||
| Herverzekeringsdeel technische voorzieningen | 0 | 1.437 | 1.452 | 1.407 | 1.962 | ||||
| Voorziening operationele kosten | 10.326 | 9.249 | 9.426 | 10.078 | 12.207 | ||||
| Eigen vermogen | 123.788 | 118.749 | 104.924 | 81.441 | 150.405 | ||||
| Minimaal vereist eigen vermogen | 17.470 | 19.154 | 19.052 | 18.916 | 24.015 | ||||
| Vereist eigen vermogen | 63.151 | 69.335 | 68.671 | 67.444 | 90.262 | ||||
| Premies en uitkeringen (in € 1.000) | |||||||||
| Kostendekkende premie ** | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||
| Feitelijke premie ** | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||
| Gedempte premie ** | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||
| Pensioenuitkeringen | 25.186 | 24.502 | 24.080 | 22.011 | 21.573 | ||||
| Toeslagen | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 3,16% | 1,73% | 0,00% | 10,12% | 1,32% | ||||
| Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden | 3,16% | 1,73% | 0,00% | 10,12% | 1,32% | ||||
| Niet toegekende toeslagen deelnemers (cumulatief) | 13,81% | 13,81% | 12,90% | 14,49% | 6,96% | ||||
| Niet toegekende toeslagen gewezen deelnemers en pensioengerechtigden (cumulatief) |
13,81% | 13,81% | 12,90% | 14,49% | 6,96% | ||||
| Beleggingsrendement | |||||||||
| Per jaar | -1,5% | 7,7% | 10,6% | -23,0% | 7,2% | ||||
| Kostenratio`s | |||||||||
| Pensioenuitvoeringskosten | 0,20% | 0,12% | 0,09% | 0,09% | 0,08% | ||||
| Vermogensbeheerkosten | 0,34% | 0,35% | 0,32% | 0,29% | 0,32% | ||||
| Transactiekosten | 0,06% | 0,06% | 0,10% | 0,08% | 0,07% | ||||
| Gemiddelde duration (in jaren) | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 12,9 | 14,3 | 14,5 | 15,2 | 17,1 | ||||
| Gewezen deelnemers | 15,0 | 17,1 | 17,2 | 18,0 | 20,2 | ||||
| Pensioengerechtigden | 8,3 | 9,1 | 9,1 | 9,2 | 10,6 | ||||
| Totaal gemiddelde duration | 10,3 | 11,7 | 11,9 | 12,3 | 14,4 | ||||
| Gemiddelde rekenrente | 3,09% | 2,25% | 2,42% | 2,79% | 0,49% |
3.2 Algemene informatie
Pensioenkring SVG is vanaf 1 december 2016 operationeel. Per die datum zijn de pensioenaanspraken en het vermogen van de voormalige Stichting Voorzieningsfonds Getronics overgedragen aan Stap Pensioenkring SVG door middel van een collectieve waardeoverdracht.
De samenstelling en zittingstermijnen van het belanghebbendenorgaan zijn op het moment van vaststellen van het jaarverslag als volgt:
| Naam lid belanghebbendenorgaan | Ingangsdatum zittingstermijn | Einddatum 1ste zittingstermijn | Einddatum 1ste herbenoeming | Laatste termijn eindigt op |
|---|---|---|---|---|
| Ab Ribbink (1957), voorzitter namens de gewezen deelnemers |
01-12-2016 | 01-12-2020 | 01-12-2024 | 01-12-2028 |
| Bert Mögelin (1950), secretaris namens de pensioengerechtigden |
01-12-2016 | 01-12-2019 | 01-12-2023 | 01-12-2027 |
| R. Ferrier (1965), lid namens de werkgever * |
01-12-2025 | 01-12-2029 | 01-12-2033 | 01-12-2037 |
De tweede zittingstermijn van A.E. de Bruijn als lid van het belanghebbendenorgaan namens de werkgever liep op 1 december 2025 af. Per dezelfde datum heeft R. Ferrier deze rol namens de werkgever overgenomen.
Het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring SVG heeft in 2025 twee keer overleg gehad met het bestuur. In mei 2025 stond het overleg in het teken van het jaarverslag 2024 en het tweede overleg heeft in november 2025 plaatsgevonden. Daarin zijn diverse onderwerpen zoals het beleggingsplan 2026, het jaarplan 2026, de toeslagverlening per 31 december 2025, het communicatiejaarplan 2026 en het pensioenreglement 2026 behandeld. Naast de vergaderingen met het bestuur heeft het belanghebbendenorgaan in 2025 vijf eigen vergaderingen gehouden en in mei 2025 een overleg gehad met de raad van toezicht. Bij de eigen vergaderingen was een delegatie van het bestuursbureau aanwezig.
3.3 Pensioenparagraaf
Kenmerken regeling
Op de pensioenaanspraken en pensioenrechten zijn de pensioenreglementen zoals deze laatstelijk golden bij de voormalige Stichting Voorzieningsfonds Getronics van toepassing.
De belangrijkste kenmerken van de regeling luiden als volgt:
| Pensioenregeling | De pensioenregeling is een voorwaardelijke middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagen. De pensioenregeling heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst. Het betreft een zogenoemde gesloten pensioenkring. Er vindt geen actieve pensioenopbouw plaats met uitzondering van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. |
|---|---|
| Pensioenleeftijd | De pensioenregeling kent verschillende pensioenaanspraken met verschillende pensioenleeftijden. |
| Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid | Bij arbeidsongeschiktheid wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. |
Ontwikkelingen in aantallen deelnemers
In onderstaande tabel is een mutatieoverzicht opgenomen met de ontwikkelingen in het deelnemersbestand.
| Deelnemers | Actief * | Ingegaan OP/NP | Ingegaan WzP | Gewezen | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| Per 31 december 2024 | 31 | 2.990 | 78 | 3.626 | 6.725 |
| Bij | 0 | 263 | 3 | 12 | 278 |
| Af | 5 | 99 | 19 | 263 | 386 |
| Per 31 december 2025 | 26 | 3.154 | 62 | 3.375 | 6.617 |
Financieringsbeleid
Binnen Pensioenkring SVG is geen sprake van opbouw van pensioen en daarmee geen sprake van premiebetaling. In Pensioenkring SVG zijn de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van de voormalige Stichting Voorzieningsfonds Getronics overgenomen. Daarnaast wordt de premievrije pensioenopbouw wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, zoals deze laatstelijk werd genoten bij de voormalige Stichting Voorzieningsfonds Getronics, voorgezet bij Pensioenkring SVG. De daarvoor benodigde premie wordt gefinancierd uit een aparte voorziening voor arbeidsongeschiktheid. Deze voorziening voor de vrijgestelde premie bij arbeidsongeschiktheid is overgedragen vanuit de voormalige Stichting Voorzieningsfonds Getronics naar Pensioenkring SVG.
Weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen voor Pensioenkring SVG bedraagt 0,2% van het beheerd pensioenvermogen. Dit weerstandsvermogen is het vermogen dat Stap volgens het bepaalde bij of krachtens de Pensioenwet ten minste moet aanhouden als vermogen om de bedrijfsrisico’s te dekken. Het weerstandsvermogen maakt geen deel uit van het vermogen van de pensioenkring.
Voor het weerstandsvermogen geldt een wettelijk voorgeschreven minimum en maximum. Doorlopend wordt getoetst of het aanwezige weerstandsvermogen hieraan voldoet. Daarbij vastgestelde overschotten en tekorten van het weerstandsvermogen die het gevolg zijn van het behaalde positieve of negatieve rendement op het vermogen van Pensioenkring SVG, komen ten goede aan, respectievelijk ten laste van het behaalde bruto rendement op het vermogen van Pensioenkring SVG.
Klachten en geschillen
Luisteren naar deelnemers en daarnaar handelen biedt kansen om onze dienstverlening structureel te blijven verbeteren. Hierbij volgen we de geactualiseerde versie (september 2024) van de Gedragslijn Goed omgaan met Klachten. Een vorm van zelfregulering waarmee leden van de Pensioenfederatie hebben vastgelegd wat het basisniveau is van hoe we als pensioenfondsensector willen omgaan met klachten. In 2025 hebben we ons ingezet op verdere professionalisering van klachtenmanagement met als belangrijk resultaat dat we 94% scoorden op de naleving van de Gedragslijn Goed omgaan met klachten – ruim boven de sectornorm van 84%.
We hanteren de wettelijke bredere definitie van een klacht: elke uiting van ontevredenheid van een persoon gericht aan de pensioenuitvoerder. Dat betekent dat uitingen van ongenoegen die via verschillende kanalen bij ons binnenkomen worden beschouwd als een klacht. Stap ziet ieder klantsignaal en ieder contact met een persoon waaruit blijkt dat niet is voldaan óf juist wel is voldaan aan de verwachtingen als een kans. Dit vraagt om een werkwijze waarbij alle klantsignalen structureel worden vastgelegd en geanalyseerd om mogelijke verbeterrichtingen te bepalen. Op basis van prioritering wordt vervolgens besloten welke signalen worden opgepakt en uitgewerkt tot een verbeterinitiatief. Door daarna terug te koppelen aan bijvoorbeeld deelnemers, werkgevers, medewerkers of melders over wat er met hun signaal is gedaan (of waarom niet), wordt de feedbackloop gesloten.
Met onze werkwijze sluiten wij aan bij de verwachtingen van de deelnemers en werkgevers. Bovendien is het fonds zo goed in staat om verwachtingen en vragen van deelnemers over het nieuwe stelsel goed vast te leggen en om te zetten. Zowel in 2024 als 2025 zijn er voor Pensioenkring SVG geen klachten over de nieuwe pensioenregeling (toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie).
In onderstaand schema staan de aantallen klachten, geëscaleerde klachten en geschillen over 2025 toebedeeld aan een aantal vaste rubrieken zoals beschreven in de gedragslijn. Een geëscaleerde klacht is een klacht die niet in één keer, naar tevredenheid van de klant, is opgelost. Klachten die niet in onderling overleg worden opgelost, kunnen uitmonden in een geschil. Geschillen kunnen door de deelnemer worden voorgelegd aan de Geschillen Instantie Pensioenfondsen (waarbinnen de deelnemer kan kiezen voor bemiddeling door de Ombudsman of beslechting) of de burgerlijke rechter.
De tabel hieronder toont de AFM-rubrieken. In 2025 zijn 34 klachten afgehandeld, waaronder 17 klachten over de pensioenberekening en -betaling. Onze pensioenuitvoeringsorganisatie gebruikt daarnaast een uitgebreidere classificatielijst voor meer detail en beter inzicht in alle klantsignalen.
| Onderwerp | Klachten | Geëscaleerde klachten | Geschillen |
|---|---|---|---|
| Afgehandelde klachten 2025 per onderwerp: | |||
| - service en klantgerichtheid | 0 | 0 | 0 |
| - behandelingsduur | 0 | 0 | 0 |
| - informatieverstrekking | 6 | 0 | 0 |
| - deelnemersportaal | 7 | 0 | 0 |
| - keuzebegeleiding | 0 | 0 | 0 |
| - pensioenberekening en -betaling | 17 | 0 | 0 |
| - registratie werknemersgegevens/datakwaliteit | 2 | 0 | 0 |
| - toepassing wet- en regelgeving: algemeen | 2 | 0 | 0 |
| - toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie | 0 | 0 | 0 |
| - financiële situatie | 0 | 0 | 0 |
| - duurzaamheid | 0 | 0 | 0 |
| - overig | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 34 | 0 | 0 |
Op basis van de uitkomsten hebben we onder andere de volgende verbetering doorgevoerd:
Verduidelijking partnerpensioen bij pensioenaanvraag
Informatie over klantcontacten was verspreid over meerdere systemen en kanalen waardoor een samenhangend beeld ontbrak. Door uiteenlopende classificaties was het combineren en analyseren van data ingewikkeld. Rapportages over deelnemersvragen en deelnemersklachten kostten veel tijd en leverden beperkte inzichten op.
Oplossing
Er is één uniforme indeling gemaakt, waarbij de classificatie gekoppeld is aan producten, diensten (PDC) en klantreizen. De integratie van sentimentanalyse en klantsignalen zorgt voor rijkere inzichten in de behoeften en ervaringen van deelnemers.
Verder voert onze pensioenuitvoeringsorganisatie een periodieke meting uit naar de klanttevredenheid over de behandeling van klachten (de Klanttevredenheidsmonitor ‘Ik heb een klacht’). Deze meting wordt vier keer per jaar verstuurd naar aanleiding van een uiting van onvrede of een ingediende klacht en bevat onder meer vragen over de tevredenheid van de deelnemer over onze reactie of geboden oplossing en het algehele klachtenproces. Voor Stap komt de gemiddelde tevredenheid over 2025 (Q1–Q3) uit op een 7,0 op een 10-puntsschaal. Op basis van deze metingen ontstaat het beeld dat de tevredenheid over de klachtbehandeling wisselend is en dat er ruimte is voor verbetering in de ervaren afhandeling van klachten, waarbij de uitkomsten mede moeten worden bezien in het licht van het in sommige gevallen beperkte aantal ingevulde vragenlijsten.
3.4 Vermogensbeheer
Beleggingsmix
In onderstaande tabel zijn de actuele en strategische beleggingsmix ultimo 2025 en 2024 opgenomen.
| 2025 | 2024 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
|
| Aandelen | 176,8 | 31,6 | 31,2 | 200,6 | 33,8 | 31,2 |
| Ontwikkelde markten | 145,9 | 26,1 | 25,7 | 166,2 | 28,0 | 25,7 |
| Opkomende markten | 30,9 | 5,5 | 5,5 | 34,3 | 5,8 | 5,5 |
| Vastrentende waarden* | 365,4 | 68,4 | 68,8 | 374,7 | 66,2 | 68,8 |
| Bedrijfsobligaties Europa | 56,3 | 10,1 | 9,9 | 57,7 | 9,7 | 9,9 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) | 56,1 | 10,0 | 9,9 | 57,1 | 9,6 | 9,9 |
| Hypotheken Nederland | 132,2 | 23,6 | 19,8 | 132,8 | 22,4 | 19,8 |
| Green Bonds | 19,9 | 3,6 | 3,5 | 19,4 | 3,3 | 3,5 |
| Staatsleningen opkomende markten | 30,7 | 5,5 | 5,3 | 34,2 | 5,8 | 5,3 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | 70,2 | 12,5 | 20,4 | 73,4 | 12,4 | 20,4 |
| Liquiditeiten | 65,0 | 11,6 | 49,3 | 8,3 | ||
| Overlay | -47,3 | -8,4 | -31,1 | -5,2 | ||
| Interest Rate Swap | -47,5 | -8,5 | -29,5 | -5,0 | ||
| FX Forward | 0,2 | 0,0 | -1,6 | -0,3 | ||
| Totaal **/*** | 559,9 | 100,0 | 100,0 | 593,5 | 100,0 | 100,0 |
In december 2025 is het beleggingsplan 2026 vastgesteld. Het beleggingsplan 2026 heeft als ingangsdatum 1 januari 2026.
Ten opzichte van het beleggingsplan 2025 zijn er voor het beleggingsplan 2026 geen wijzigingen in de strategische allocatie van de beleggingen aangebracht.
Resultaten beleggingen
In onderstaande tabel worden de beleggingsresultaten van 2025 weergegeven.
| Cijfers in % | Pensioenkring * | Benchmark | Relatief | Bijdrage aan totaal rendement |
|---|---|---|---|---|
| Aandelen | 2,4 | 3,3 | -0,9 | 0,7 |
| Aandelen wereldwijd (MM World Equity Index SRI Fund) |
0,5 | 0,1 | 0,4 | 0,1 |
| Aandelen opkomende markten (MM Global Emerging Markets Fund) |
11,5 | 17,8 | -6,3 | 0,6 |
| Vastrentende waarden | -0,4 | -2,2 | 1,8 | -0,2 |
| Bedrijfsobligaties Europa (MM Euro Credit ESG Fund) |
3,3 | 3,0 | 0,3 | 0,3 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) (MM Global Credit Ex Financials Fund – Unhedged) |
-1,7 | -1,8 | 0,1 | -0,2 |
| Hypotheken Nederland (MM Dutch Mortgage Fund) |
1,4 | -1,6 | 2,9 | 0,3 |
| Green Bonds (MM Global Green Bond Fund) |
3,0 | 2,6 | 0,3 | 0,1 |
| Staatsleningen opkomende markten (MM Global Emerging Market Debt Fund) |
1,6 | 0,3 | 1,3 | 0,1 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | -7,1 | -7,1 | 0,0 | -0,9 |
| Totaal exclusief liquiditeiten en overlay | 0,5 | -0,5 | 1,0 | 0,5 |
| Liquiditeiten | 0,1 | |||
| Totaal overlay | -2,2 | |||
| Interest Rate Swap | -4,3 | |||
| FX Forward | 2,1 | |||
| Totaal ** | -1,5 | -1,5 |
Toelichting resultaten beleggingen 2025
In deze paragraaf wordt ingegaan op de behaalde rendementen van de pensioenkring (1). De belangrijkste bijdragen aan het rendement en de meest opvallende relatieve en absolute rendementen worden hierna toegelicht.
(1) Voor de meeste beleggingscategorieën wordt passief belegd. Doordat de benchmark geen rekening houdt met transactiekosten is het rendement van de passief beheerde beleggingsfondsen, als gevolg van de transactiekosten, meestal iets lager dan de gehanteerde benchmark.
Toelichting resultaten aandelen
Door de stijging van de aandelenmarkt droeg de categorie aandelen met 0,7%-punt positief bij aan het totaalrendement. Het MM Global Emerging Markets Fund had met 0,6%-punt de grootste positieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen die beleggen in aandelen is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten vastrentende waarden
Vastrentende waarden droegen 0,2%-punt positief bij aan het totaal rendement. De portefeuille met discretionaire nominale staatsobligaties leverde met 0,9%-punt de grootste negatieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen die beleggen in vastrentende waarden is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten overlay
De overlay, bestaande uit renteswaps en valutaforwards, heeft voornamelijk als doel om de dekkingsgraad van de pensioenkring te beschermen tegen financiële risico's en droeg in de verslagperiode 2,2%-punt negatief bij aan het rendement.
De renteswaps droegen met 4,3%-punt negatief bij aan het totale beleggingsresultaat. De afdekking van het renterisico heeft het gehele jaar rond het strategische niveau van 100% gefluctueerd, waarbij de verplichtingen qua looptijd evenredig zijn afgedekt. De te betalen floating rente van de renteswaps leidde tot de negatieve bijdrage vanwege de hogere kortetermijn rente. Dit effect was kleiner dan het negatieve rendement op de swaps als gevolg van de fors gestegen swaprente in 2025.
Per saldo leidde de afdekking van het valutarisico tot een positieve bijdrage aan het rendement van 2,1%-punt. Dit is met name een gevolg van het afdekken van de Amerikaanse dollar die zwakker werd ten opzichte van de euro.
Attributie analyse
De attributie geeft een nadere verklaring van de behaalde out-performance over een bepaalde periode. Dit wordt verklaard door twee elementen:
- allocatie: out-performance behaald door meer/minder te beleggen (alloceren) in categorieën die het relatief beter/slechter doen ten opzichte van het totaal
- selectie: out-performance behaald door binnen de beleggingscategorie bepaalde beleggingen te kiezen die een out-performance behalen ten opzichte van hun respectievelijke benchmark
| Attributie beleggingscategorieën eind 2025 | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % * | Allocatie effect | Selectie effect |
| Aandelen | -0,1 | -0,2 |
| Vastrentende waarden | 0,5 | 0,7 |
| Totaal ** | 0,5 | 0,5 |
Het positieve relatieve rendement wordt met name veroorzaakt door het selectie effect. Het MM Dutch Mortgage Fund zorgde voor de grootste positieve bijdrage aan het selectie effect, namelijk met 0,7%-punt.
Uitvoering MVB-beleid
Het maatschappelijk verantwoord beleggen beleid van Stap staat beschreven in hoofdstuk 1.5 Beleggingen. Hieronder wordt de uitvoering van dit beleid beschreven die specifiek van toepassing is voor de pensioenkring.
Screening en engagement
Eind 2025 werd met 12 bedrijven, waarin de pensioenkring via de MM-beleggingsfondsen belegt, een dialoog gevoerd. Het voeren van de dialoog heeft Stap uitbesteed aan Aegon AM. Dit betreft 12 bedrijven die niet of mogelijk niet voldoen aan één of meerdere principes van de UN Global Compact, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
| Mensenrechten | Milieu | Corruptie |
|---|---|---|
| 10 | 2 | 0 |
De resultaten van alle engagement trajecten worden in de volgende tabel voor 12 bedrijven weergegeven. Hiervoor wordt een mijlpalenaanpak gehanteerd.
| Mijlpaal 1 | Mijlpaal 2 | Mijlpaal 3 | Mijlpaal 4 |
|---|---|---|---|
| 1 | 5 | 6 | 0 |
De mijlpalen houden het volgende in:
- mijlpaal 1: probleem aangestipt, een bedrijf heeft nog geen reactie gestuurd
- mijlpaal 2: reactie van een bedrijf ontvangen
- mijlpaal 3: bedrijf heeft aangegeven bereid te zijn om een probleem op te willen lossen en heeft concrete vervolgstappen genomen
- mijlpaal 4: doelstelling van het engagement bereikt
Uitsluitingen
De pensioenkring belegt uitsluitend in de multi-manager beleggingsfondsen beheerd door Aegon AM. Voor deze fondsen is een uitsluitingsbeleid van toepassing zoals beschreven in hoofdstuk 1.5 Beleggingen.
Stemmen
De uitgebrachte stemmen worden in onderstaande tabel per thema weergegeven. Hierbij wordt tevens aangegeven of er afwijkend van het stemadvies van de onderneming en/of het stemadviesbureau is gestemd.
| Thema | Overname | Kapitaal-structuur | Bestuur | Reorganisatie & fusies | Mensen-rechten | Bedrijfs-specifiek | Compensatie | Overig |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitgebrachte stemmen |
43 | 473 | 4.126 | 188 | 15 | 1.592 | 669 | 83 |
| Afwijkend van management onderneming |
0 | 29 | 262 | 28 | 10 | 72 | 105 | 34 |
| Afwijkend van advies stemadviesbureau |
0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen
In de rapportageperiode is bij zes Nederlandse ondernemingen afwijkend van de aanbeveling van het management gestemd.
Voor de belangrijkste stemmingen wordt hierna benoemd waarom er tegen de aanbeveling van het management van de Nederlandse ondernemingen is gestemd:
- er is tegen het remuneratiebeleid gestemd, omdat deze als buitensporig en niet marktconform wordt bestempeld
- bij een onderneming is er tegen het langetermijn beloningspakket gestemd, omdat deze onvoldoende onderworpen was aan prestatiedoelstellingen
- er is tegen de voorgestelde (her)benoeming van enkele bestuurders gestemd, omdat dit niet in lijn is met good practices voor de samenstelling van het bestuur op het vlak van diversiteit en/of onafhankelijkheid
3.5 Kostentransparantie
Het onderstaande overzicht is opgesteld conform de Aanbeveling Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Mede op basis van deze aanbevelingen is een deel (30% van de exploitatiekosten) van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer gealloceerd naar de kosten voor vermogensbeheer. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | 1.159 | 718 | 0,20 | 0,12 |
| Kosten vermogensbeheer | 1.955 | 2.035 | 0,34 | 0,35 |
| Transactiekosten | 368 | 334 | 0,06 | 0,06 |
| Totaal ** | 3.482 | 3.087 | 0,61 | 0,53 |
De hierboven vermelde kosten zijn uitgedrukt in een percentage van het gemiddeld belegd vermogen in het betreffende jaar en worden in de volgende paragrafen nader uitgesplitst en toegelicht.
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
Deze kosten betreffen de kosten voor pensioenbeheer en de exploitatie van Stap voor Pensioenkring SVG. De wijziging van het weerstandsvermogen wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Administratiekostenvergoeding | 665 | 304 | 0,12 | 0,05 |
| Administratiekostenvergoeding meerwerk | 73 | 24 | 0,01 | 0,00 |
| Exploitatiekosten Stap | 537 | 512 | 0,09 | 0,09 |
| Overige kosten | 51 | 35 | 0,01 | 0,01 |
| Allocatie naar kosten vermogensbeheer | -167 | -157 | -0,03 | -0,03 |
| Totaal ** | 1.159 | 718 | 0,20 | 0,12 |
De administratiekostenvergoeding is in 2025 toegenomen als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Deze bedroeg 7,18% voor 2025. Daarnaast zijn er kosten gemaakt voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door TKP (206). De administratiekostenvergoeding meerwerk bestaat in 2025 uit een vergoeding voor aanvullende dienstverlening. Deze is voornamelijk gestegen door kosten voor DORA, WDO en klantsignalen.
De exploitatiekosten betreffen kosten die vanuit de pensioenkring worden betaald aan Stap voor governance (537). Deze kosten bestaan uit een vaste vergoeding voor Stap, kosten voor de werkzaamheden door de onafhankelijk accountant en de certificerend actuaris, kosten voor de actuariële functie, kosten voor het toezicht door AFM en DNB, kosten voor de Pensioenfederatie en Eumedion, kosten die samenhangen met voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door Stap en kosten van het belanghebbendenorgaan. Een deel (30%) van de exploitatiekosten wordt toegerekend aan de kosten vermogensbeheer.
Onder overige kosten zijn de bankkosten, contributies en bijdragen en kosten voor communicatie-uitingen opgenomen.
Kosten per deelnemer
De uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde zijn in de volgende tabel weergegeven.
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| Totale uitvoeringskosten pensioenbeheer (in € 1.000) | 1.159 | 718 |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde (in €) * | 357 | 232 |
De kosten per deelnemer zijn ten opzichte van 2025 op totaalniveau met 52% gestegen door de toename van de totale uitvoeringskosten pensioenbeheer. Deze kosten zijn met name toegenomen als gevolg van de jaarlijkse indexatie (2025: 7,18%) en door de eenmalige kosten voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp (218), extra vergoeding exploitatiekosten Stap (80) en de eenmalige vergoedingen voor de implementatie van DORA/Regie op klantsignalen/WDO (26).
Voor de kosten per actieve deelnemer/pensioengerechtigde is geen benchmark opgenomen, omdat de meerwaarde van het laten uitvoeren van een benchmark niet opweegt tegen de vergoeding die daarvoor gevraagd wordt. Daarnaast worden de kosten per deelnemer tot de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel beïnvloed door de eenmalige kosten die hiervoor in de uitvoeringskosten pensioenbeheer zijn opgenomen.
Kosten vermogensbeheer
Het bedrag van 1.955 betreft alle door de pensioenkring betaalde kosten vermogensbeheer (direct en indirect).
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Kosten vermogensbeheer | € | € |
| Directe kosten vermogensbeheer | 1.169 | 1.134 |
| Indirecte kosten vermogensbeheer (ten laste van beleggingsresultaat) | 786 | 901 |
| Totale kosten van vermogensbeheer | 1.955 | 2.035 |
De directe kosten vermogensbeheer bestaan uit de volgende posten:
- dienstverlening integraal balansbeheerder:
- beheervergoeding: dit is een vaste beheervergoeding voor het operationeel vermogensbeheer per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie
- vergoeding advies, administratie en rapportage: dit is de vergoeding voor de integrale dienstverlening conform de uitbestedingsovereenkomst
- overige directe kosten: dit betreft onder andere bankkosten en custody-kosten
- allocatie van de exploitatiekosten van Stap die betrekking hebben op vermogensbeheer
De hoogte van de directe kosten vermogensbeheer (1.169) wijkt af van de weergave in de financiële opstelling (1.196). Een deel van deze directe kosten vermogensbeheer betreffen transactiekosten (22) en deze zijn hierna in de paragraaf Transactiekosten verantwoord. Daarnaast wordt een deel van de overige kosten (5) bij de vermogensbeheerder hier onder indirecte kosten verantwoord. De verschillen tussen de financiële opstelling en het bestuursverslag betreffen verschuivingen in de weergave en hebben geen invloed op het totaal aan kosten vermogensbeheer.
De indirecte kosten vermogensbeheer bestaan uit kosten die worden gemaakt binnen de onderliggende beleggingsfondsen. Deze bestaan uit de volgende posten:
- beheervergoedingexternemanagers: dit is een (basis) vergoeding per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie
- performance fee externe managers: dit is een prestatieafhankelijke vergoeding voor het verslaan van de benchmark door een externe manager
- overige kosten: dit betreft onder andere de vergoeding van de bewaarbank, administratiekosten, accountantskosten en juridische kosten
De kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd in euro’s en als percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen. De volgende tabel geeft dit per beleggingscategorie weer. Het aandeel aan geschatte kosten is beperkt. De schattingen zijn gebaseerd op opgaven van externe managers van kosten in onderliggende beleggingsstructuren.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 313 | 333 | 0,05 | 0,06 |
| Vastrentende waarden | 994 | 1.094 | 0,17 | 0,19 |
| Overig | 481 | 451 | 0,08 | 0,08 |
| Totaal | 1.788 | 1.879 | 0,31 | 0,32 |
| Allocatie vanuit pensioenbeheer | 167 | 157 | 0,03 | 0,03 |
| Totaal ** | 1.955 | 2.035 | 0,34 | 0,35 |
De kosten vermogensbeheer zijn als percentage van het gemiddeld belegd vermogen in 2025 0,01%-punt lager dan in 2024 (0,35%). De daling van de kosten vermogensbeheer is voornamelijk het gevolg van de gedaalde prestatieafhankelijke vergoedingen binnen de portefeuille met vastrentende waarden.
Transactiekosten
Deze kosten betreffen de toe- en uittredingsvergoedingen van de beleggingsfondsen, de transactiekosten van discretionaire portefeuilles en de derivatentransacties. Deze kosten zijn in het gerapporteerde rendement verwerkt.
Transactiekosten in beleggingsfondsen zijn wel onderdeel van het rendement, maar worden niet apart gespecificeerd. De transactiekosten zijn als volgt bepaald:
- aandelen: op basis van directe transactiekosten zoals commissie en belastingen en indirecte kosten zoals spread en marktimpact. Indien deze kosten niet aanwezig zijn, worden deze vastgesteld op basis van schattingen
- vastrentende waarden en derivaten: van vastrentende waarden zijn de transactiekosten slechts bij benadering vast te stellen. Deze kosten zijn niet zichtbaar bij aan- en verkopen, maar zijn een impliciet onderdeel van de spread tussen bied- en laatkoersen. Binnen deze fondsen worden de transactiekosten geschat op basis van de gemiddelde spread gedurende het jaar en de som van aan- en verkopen
De (geschatte) transactiekosten, waaronder ook de kosten voor toe- en uittreding vallen, worden gerapporteerd in euro’s en als een percentage van het gemiddeld belegd vermogen.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 132 | 75 | 0,02 | 0,01 |
| Vastrentende waarden | 212 | 218 | 0,04 | 0,04 |
| Overig | 25 | 41 | 0,00 | 0,01 |
| Totaal ** | 368 | 334 | 0,06 | 0,06 |
In bovenstaande kosten is een bedrag van 56 (2024: 0) begrepen voor toe- en uittredingskosten van de pensioenkring. Het restant betreft werkelijke en geschatte transactiekosten van de beleggingen.
De transactiekosten in 2025 zijn gelijk aan vorig jaar (2024: 0,06%). In absolute zin zijn de transactiekosten in de categorie aandelen licht gestegen ten opzichte van 2024, maar de daling van de overige transactiekosten heeft ervoor gezorgd dat het totale relatieve percentage gelijk is gebleven.
Beleggingskosten en relatie rendement, risico en kosten
De totale kosten vermogensbeheer in 2025 bedroegen 0,34% van het gemiddeld belegd vermogen. Van deze totale kosten bestaat 0,01%-punt (2024: 0,03%-punt) uit prestatieafhankelijke vergoedingen. Een deel van de beleggingsportefeuille wordt namelijk actief beheerd, met als uitgangspunt dat actief beheer voor de geselecteerde beleggingscategorieën op termijn een hoger rendement oplevert.
Het gerealiseerd relatief rendement op de actieve beleggingen was in 2025 negatief, waardoor de actieve beleggingen niet hebben bijgedragen aan een hoger rendement.
Op totaalniveau is het actief risico in de beleggingsportefeuille beperkt. De ex-ante tracking error bedraagt eind 2025 0,2% op jaarbasis. Een tracking error van 0,2% geeft aan dat de kans dat het rendement van de portefeuille met maximaal 0,2% afwijkt van het rendement van de benchmark ongeveer 66,67% is. En er is ongeveer 5% kans dat de portefeuille met meer dan 0,4% (twee maal de tracking error) afwijkt van de benchmark.
Om het effect van de kosten in relatie tot het totale rendement van de pensioenkring te duiden, geeft onderstaande grafiek weer welke kosten onderdeel uitmaken van het gerapporteerde rendement van de pensioenkring en welke kosten hierbuiten vallen. Ter vergelijking worden hierbij de cijfers over het voorgaande boekjaar getoond.

| Toelichting grafiek: | |
| Netto rendement | Rendement na kosten binnen en buiten de beleggingen |
| Kosten niet in gerapporteerd rendement | Kosten die buiten de beleggingsportefeuille om betaald zijn |
| Gerapporteerd rendement | Gerapporteerd rendement van de beleggingen |
| Kosten in gerapporteerd rendement | Kosten binnen de beleggingen (vermogensbeheer en transactiekosten) |
| Bruto rendement | Rendement zonder het effect van kosten |
Uitvoeringskosten en oordeel bestuur
Het bestuur van Stap vindt kostenbeheersing belangrijk. Daarom streeft het bestuur naar een acceptabel kostenniveau in verhouding tot de kwaliteit van de uitvoering en besteedt het bestuur aandacht aan de beheersing van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer en vermogensbeheer.
Jaarlijks wordt voor de pensioenkring een begroting opgesteld. De realisatie van de uitvoeringskosten wordt door het bestuursbureau gemonitord via de maand- en kwartaalrapportages van pensioenbeheer en vermogensbeheer. Op basis van de kwartaalrapportages en via een evaluatie van de uitbestedingsovereenkomsten wordt tevens de kwaliteit van de uitvoering gemonitord.
Het bestuur heeft de uitvoeringskosten beoordeeld en vastgesteld dat deze verklaarbaar en acceptabel zijn in het licht van de gemaakte afspraken.
3.6 Financiële positie en herstelplan (FTK)
Dekkingsgraden
In 2025 is de rentetermijnstructuur (RTS) gestegen, waardoor de technische voorzieningen (TV) van de pensioenkring zijn gedaald. De rente heeft in 2025 een positief effect gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Een negatief beleggingsrendement van 1,5% zorgde voor een daling van de feitelijke dekkingsgraad. Uiteindelijk is de feitelijke dekkingsgraad in 2025 gestegen van 124,8% naar 128,4%.
De beleidsdekkingsgraad is in 2025 toegenomen van 125,2% naar 127,0% en is hoger dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen van 114,5%. Daarmee is ultimo 2025 sprake van een toereikende solvabiliteit. Eind 2025 bedraagt de dekkingsgraad op basis van marktrente 128,4%. De dekkingsgraad op basis van marktrente wordt bepaald door het pensioenvermogen te delen door de TV op marktwaarde.
| Dekkingsgraad- en renteniveaus | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % | 2025 | 2024 |
| Beleidsdekkingsgraad | 127,0 | 125,2 |
| Feitelijke dekkingsgraad | 128,4 | 124,8 |
| Dekkingsgraad op basis van marktrente | 128,4 | 124,8 |
| Reële dekkingsgraad | 99,1 | 97,5 |
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,0 | 104,0 |
| Vereiste dekkingsgraad | 114,5 | 114,5 |
| Rekenrente vaststelling TV | 3,09 | 2,25 |
Herstelplan
De pensioenkring hoefde in 2025 geen herstelplan in te dienen, omdat de beleidsdekkingsgraad (125,2%) per 31 december 2024 hoger lag dan de dekkingsgraad die hoort bij het vereist vermogen per 31 december 2024. Daardoor had Pensioenkring SVG eind 2024 geen reservetekort.
De situatie is eind 2025 ongewijzigd, omdat de beleidsdekkingsgraad per 31 december 2025 (127,0%) hoger ligt dan de vereiste dekkingsgraad per 31 december 2025 (114,5%).
Minimaal vereist vermogen
Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende vijf achtereenvolgende jaren (6 peilmomenten) lager is dan het vermogen dat hoort bij het minimaal vereist vermogen, dienen de pensioenaanspraken en -rechten te worden gekort. Dit betreft de korting op basis van de Maatregel minimaal vereist eigen vermogen (de zogenoemde MVEV-korting). Het korten is hierbij onvoorwaardelijk, maar mag worden gespreid over (maximaal) 10 jaar.
Ultimo 2025 is de beleidsdekkingsgraad (127,0%) hoger dan de dekkingsgraad die hoort bij het minimaal vereist vermogen (104,0%). De MVEV-korting is per 31 december 2025 voor Pensioenkring SVG dus niet aan de orde.
Toekomst Bestendig Indexeren (TBI)
Vanuit het wettelijk kader is toekomstbestendigheid het uitgangspunt voor toeslagverlening. Dit houdt onder meer in dat het beschikbare vermogen boven een beleidsdekkingsgraad van 110,0% bepalend is om een bepaalde toeslag levenslang toe te kunnen kennen. De levenslange toeslag wordt bepaald op grond van het verwachte gemiddelde toekomstige consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen (afgeleid). De grens voor Toekomst Bestendig Indexeren (TBI) is de grens waarbij de pensioenkring op basis van toekomstbestendige toeslagverlening de volledige toeslag kan toekennen. Deze grens was voor Pensioenkring SVG per 30 september 2025 gelijk aan 130,8%.
Toeslagbeleid
Het toeslagbeleid van Pensioenkring SVG is voorwaardelijk. De toeslag op de pensioenaanspraken en -rechten van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden wordt gebaseerd op de wijziging van het consumentenprijsindexcijfer voor alle huishoudens (afgeleid). Dit wordt bepaald aan de hand van de wijziging van de index over de periode oktober tot oktober van het jaar voorafgaande aan de toeslagverlening. Hiermee wordt bedoeld de stand van de consumentenprijsindex per 30 september van het voorafgaande jaar en de stand van dezelfde prijsindex per 30 september in het jaar van toekenning van de voorwaardelijke toeslag.
Een negatieve inflatie (deflatie) zal niet leiden tot een neerwaartse aanpassing. Het toeslagpercentage zal alsdan gesteld worden op 0. Het streven is een realistisch toeslagbeleid op basis van het consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen (afgeleid). Het beleid is erop gericht om op de lange termijn circa 70% van de stijging van de prijsindex door middel van toeslagen te compenseren.
Per 31 december 2025 is een toeslag verleend van 3,16% (2024: 1,73%) aan de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden van Pensioenkring SVG. Dit bestaat uit 2,51% reguliere toeslag en 0,65% uit de aanvullende bijzondere maatregel.
Richtlijnen voor toeslagen
Voor het toeslagbeleid van Pensioenkring SVG worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- het toeslagbeleid is voorwaardelijk en afhankelijk van het behaalde beleggingsrendement op lange termijn. Dit komt tot uitdrukking in de hoogte van de beleidsdekkingsgraad van de pensioenkring
- met behaald beleggingsrendement wordt bedoeld het beleggingsrendement dat resteert na de toevoeging aan de technische voorzieningen van het benodigde rendement en de wijziging van de rentetermijnstructuur. Dit rendement wordt jaarlijks verwerkt via het eigen vermogen van de pensioenkring. De te verlenen toeslag is daarmee in feite afhankelijk van de beleidsdekkingsgraad (BDG) op enig moment
- toeslagen worden gegeven op grond van een toekomstbestendige toeslagverlening. Dit houdt in beginsel het volgende in:
- bij een BDG die lager is dan 110% worden er geen toeslagen verleend
- bij een BDG boven de TBI-grens kan de volledige toeslag worden gegeven
- bij een BDG tussen de 110% en de TBI-grens kan een toeslag worden gegeven die naar verwachting in de toekomst te realiseren is (ongeveer naar rato)
- de BDG wordt bepaald door het gemiddelde van de feitelijke dekkingsgraden te nemen over de afgelopen 12 maanden. De BDG per 30 september is leidend voor de bepaling van de toeslag
- de TBI-grens wordt jaarlijks bepaald door het vermogen vast te stellen wat nodig is boven een BDG van 110% om een levenslange samengestelde toeslag van de CPI te geven
- inhaaltoeslagen kunnen gegeven worden indien de BDG hoger is dan de TBI-grens en het vereist vermogen
- het bestuur heeft de discretionaire bevoegdheid om binnen de wettelijke grenzen van de berekende toeslag af te wijken
Inhaaltoeslag
Wanneer de BDG boven de TBI-grens uitkomt, mag 20% van het vermogen boven deze grens gebruikt worden voor het ongedaan maken van kortingen en of het inhalen van gemiste toeslagen. Het inhalen van een eventuele indexatieachterstand en herstel van kortingen zal in onderstaande volgorde worden toegepast:
- volledige toeslagverlening
- herstel van kortingen
- inhaal van indexatieachterstand (vanaf 1 december 2016)
Ultimo 2025 is de beleidsdekkingsgraad (127,0%) lager dan de TBI-grens (130,8%). Het inhalen van indexatieachterstand is per 31 december 2025 voor Pensioenkring SVG dus niet aan de orde.
3.7 Actuariële paragraaf
Het verloop van de technische voorzieningen werd voor een groot deel bepaald door de bewegingen van marktrentes, beleggingsrendementen en de verleende toeslagen.
In onderstaande tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van de pensioenkring vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen wijken af van de bedragen in de financiële opstelling, die boekhoudkundig zijn bepaald.
| (bedragen x € 1.000) | ||
|---|---|---|
| Categorie resultaat | 2025 | 2024 |
| Resultaat op beleggingen | -20.874 | 26.720 |
| Resultaat op wijziging RTS | 39.406 | -4.141 |
| Resultaat op waardeoverdrachten | 195 | 113 |
| Resultaat op kosten | -322 | -124 |
| Resultaat op uitkeringen | -29 | -109 |
| Resultaat op kanssystemen | 2.269 | -499 |
| Resultaat op toeslagverlening | -13.023 | -7.982 |
| Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | -2.596 | -195 |
| Resultaat op andere oorzaken | 13 | 42 |
| Totaal saldo van baten en lasten | 5.039 | 13.825 |
Toelichting actuarieel resultaat
In 2025 zijn de volgende belangrijke effecten in het actuarieel resultaat te onderscheiden. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:
- alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten vermogensbeheer
- de benodigde interesttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars ‘spot rate’ uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaar aan de start van de analyseperiode
Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt -20.874. Op dit resultaat is uitgebreid ingegaan in het hoofdstuk ‘Vermogensbeheer’. Het resultaat op beleggingen draagt in 2025 negatief bij aan de ontwikkeling van de dekkingsgraad.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De RTS ultimo 2025 ligt gemiddeld genomen boven de RTS ultimo 2024. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente in 2025 met circa 0,85%-punt gestegen. Dit heeft geleid tot een daling van de technische voorzieningen en dus tot een positief resultaat. Het resultaat hiervan bedraagt 39.406.
Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op kanssystemen bedraagt 2.269.
Toeslagverlening
In het boekjaar is toeslag verleend van 3,16% aan de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden van de pensioenkring. Het resultaat op toeslagverlening in het boekjaar bedraagt -13.023.
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Het resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen bedraagt -2.596. Dit resultaat wordt veroorzaakt door de wijziging van de kostenvoorziening (-1.875), de afkoop van de herverzekeringsovereenkomst met Zwitserleven (-508) en het wijzigen van de partnerfrequentie ten behoeve van de waardering van het ouderdomspensioen ongehuwden tarief (-213).
Vereist vermogen
Het vereist vermogen is gebaseerd op het strategisch beleggingsbeleid en is vastgesteld op 114,5%. Indien het vereist vermogen bepaald zou zijn op basis van de actuele beleggingen zou deze uitkomen op 114,7%.
3.8 Risicoparagraaf
Bij het bepalen van het beleid en het nemen van belangrijke besluiten maakt het bestuur een afweging tussen risico, rendement en beheersing van de risico’s. Daarbij heeft het bestuur bovendien grenzen (risicobereidheid) gedefinieerd aan de omvang van de risico’s. Het beleid is vastgelegd in de ABTN van de pensioenkring en het financieel crisisplan. In 2025 zijn geen wijzigingen aangebracht in de risicobereidheid van de pensioenkring.
Integraal risicomanagement
In het hoofdstuk integraal risicomanagement van Stap is de beschrijving van het integraal risicomanagement op instellingsniveau opgenomen. Deze beschrijving is van toepassing op alle pensioenkringen.
Doelstellingen en risicobereidheid
Op het niveau van de pensioenkringen zijn specifieke doelstellingen voor de pensioenkringen bepaald. Hierbij is een verdeling gemaakt naar financiële en niet-financiële doelstellingen. Om deze doelstellingen te behalen is per pensioenkring de risicobereidheid bepaald. In onderstaande tabel wordt de risicobereidheid voor de doelstellingen op het niveau van de pensioenkring weergegeven. Voor de risicobereidheid bij de doelstellingen op het niveau van Stap wordt verwezen naar het hoofdstuk integraal risicomanagement.
| Doelstelling niveau pensioenkring | Risicobereidheid Pensioenkring SVG |
|---|---|
| Financiële doelstellingen | |
| Verantwoorde pensioenopbouw binnen de pensioenkring. | Niet van toepassing, Pensioenkring SVG is namelijk een gesloten pensioenkring. |
| Behoud nominale aanspraken binnen de pensioenkring. | Risicobereidheid op korte termijn: De risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van het vereist eigen vermogen (VEV) met een bandbreedte van 12% en 18%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. |
| Streven naar waardevast houden van pensioenrechten. Specifiek voor Pensioenkring SVG is dit vertaald naar: een toeslagambitie van 70 % van de maatstaf. De maatstaf wordt vastgesteld als de procentuele jaarstijging van het consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens (afgeleid) per 30 september. |
Risicobereidheid op korte termijn: Risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van het VEV met een bandbreedte van 12% en 18%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. Risicobereidheid lange termijn: Passend binnen de gestelde grenzen uit de aanvangshaalbaarheidstoets. Gebaseerd op de voorgeschreven uitgangspunten en parameters van de haalbaarheidstoets (hierna: “HBT”) is een drietal beleidskaders geformuleerd: • vanuit de financiële positie waarbij aan het VEV wordt voldaan, is de ondergrens op fondsniveau voor het verwacht pensioenresultaat (mediaan) uit de HBT gelijk aan 90% • vanuit de actuele financiële positie is de ondergrens op fondsniveau voor het verwacht pensioenresultaat (mediaan) uit de HBT gelijk aan 90% • vanuit de actuele financiële positie is de afwijking van het pensioenresultaat in het slechtweerscenario (5e percentiel) ten opzichte van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) maximaal 35% |
| Niet-financiële doelstellingen | |
| Adequate communicatie. Specifiek voor Pensioenkring SVG is dit vertaald naar en proactieve en inzichtelijke deelnemerscommunicatie zodat deelnemers bewust zijn van hun pensioeninkomen en in staat zijn naar eigen inzicht keuzes te maken over hun pensioen. |
De risicobereidheid is risicoavers. Uitgangspunt is dat alle deelnemers en werkgever juist, volledig en tijdig geïnformeerd worden. |
Risico-inschatting en -beheersing
Zoals in het hoofdstuk integraal risicomanagement is benoemd identificeert en beoordeelt het bestuur van Stap de risico's van Stap en de pensioenkringen op een gestructureerde wijze met een Risico Self Assessment (RSA). De geïdentificeerde risico's worden door het bestuur kwalitatief beoordeeld voor de kans dat deze risico’s zich manifesteren, alsmede voor de impact die deze risico’s hebben op het behalen van de doelstellingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar het bruto risico, het netto risico en de risico reactie. Zo wordt er inzicht verkregen in de risico's die Stap loopt, welke beheersmaatregelen zijn genomen en de effectiviteit daarvan, evenals in de beheersmaatregelen die nog genomen moeten worden of gewenst zijn.
Voor boekjaar 2025 is de RSA eind 2025 uitgevoerd op het niveau van Stap en op het niveau van de pensioenkringen. De RSA betreft alle risico´s die Stap onderscheidt. Daaronder zijn de Systematische Integriteitrisicoanalyse (SIRA) en het risico self assessment voor ICT (RSA ICT) als bijzondere aandachtsgebieden begrepen.
Risico's met mogelijke impact op financiële positie pensioenkring
Elke pensioenkring heeft te maken met financiële risico’s om haar doelstellingen behalen. Het bestuur is van mening dat door het inzetten van effectieve beheersmaatregelen de impact op een ongunstige gebeurtenis wordt verkleind.
Voor de belangrijkste financiële en niet-financiële risico’s wordt in hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen toegelicht wat de impact van deze mogelijk ongunstige gebeurtenissen is op de financiële positie van de pensioenkringen van Stap. Hierna wordt voor (de afdekking van) het renterisico en het marktrisico de specifieke informatie voor de pensioenkring toegelicht.
Matching/Renterisico
Het matching en renterisico is in hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen toegelicht voor alle pensioenkringen.
Voor de pensioenkring toont de volgende figuur de gerealiseerde afdekking van het renterisico ten opzichte van de strategische afdekking van het renterisico en de ex-ante mate van afdekking van het renterisico, zoals op de laatste dag van de voorgaande maand is vastgesteld. Zichtbaar is dat gedurende 2025 zowel de benchmark voor de afdekking van het renterisico als de werkelijke afdekking van het renterisico zich dicht bij strategische mate van afdekking van het renterisico bevonden. Indien de benchmark voor de afdekking van het renterisico zich buiten de bandbreedte bevindt, worden transacties uitgevoerd om de afdekking van het renterisico bij te sturen naar de strategische mate van de afdekking van het renterisico.

Toelichting grafiek
- de blauwe balken tonen de ex-ante mate van afdekking van het renterisico (benchmark afdekking) zoals op maandeinde van de voorgaande maand is vastgesteld. In feite is dit de verwachte afdekking van het renterisico gedurende de daaropvolgende maand. De benchmark afdekking van het renterisico wordt bepaald aan de hand van de actuele rentegevoeligheid van renteswaps en beleggingen die een onderdeel zijn van de matching portefeuille en de actuele rentegevoeligheid van de verplichtingen. Deze waarde is weergegeven in de horizontale as
- de rode horizontale strepen tonen de strategisch gewenste mate van afdekking van het renterisico. De strategische mate van afdekking van het renterisico is afhankelijk van de huidige rentestand. Periodiek wordt gemonitord of de benchmark afdekking van het renterisico zich binnen de bandbreedtes rondom de strategische mate van afdekking van het renterisico bevindt
- de gele balken tonen de waardeontwikkeling van de vastrentende waarden en renteswaps als gevolg van de rentemutatie (exclusief het spreadrendement)
- de afdekking van het renterisico wordt maandelijks berekend door de rentegevoeligheid van de beleggingen te delen door de rentegevoeligheid van de verplichtingen
Gedurende 2025 is de strategische afdekking van het renterisico onveranderd 100% geweest.
Marktrisico
In hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen is het marktrisico voor alle pensioenkringen toegelicht.
Scenario's dekkingsgraad voor markt- en renterisico per einde boekjaar
De volgende tabel geeft de gevoeligheid van de dekkingsgraad (op basis van de rentetermijnstructuur inclusief UFR) weer voor het rente- en aandelenrisico waarbij beide risico’s zich gecombineerd voordoen. De actuele portefeuille geldt als uitgangspunt. Dat wil zeggen dat de actuele mate van afdekking van het renterisico wordt gehanteerd. Er wordt verondersteld dat beide risico’s zich manifesteren als een instantane schok, dus als een schok ineens zonder tussenstappen. De afdekking van het renterisico blijft dan ook in de gehele schok hetzelfde en wordt dus niet gedurende de schok aangepast conform de rentestaffel. Verder wordt verondersteld dat de andere beleggingen onveranderd blijven. De aandelenkoersen variëren hierbij tussen de -20% en +20%. De rente varieert tussen -1,5% en +1,5% ten opzichte van het renteniveau op het einde van de maand.
| Rente | -1,50% | -1,00% | -0,50% | 0,00% | 0,50% | 1,00% | 1,50% |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandelen | |||||||
| 20% | 131,1 | 132,9 | 134,7 | 136,6 | 138,4 | 140,3 | 142,2 |
| 10% | 127,6 | 129,2 | 130,9 | 132,5 | 134,1 | 135,8 | 137,4 |
| 0% | 124,2 | 125,6 | 127,0 | 128,4 | 129,8 | 131,3 | 132,7 |
| -10% | 120,7 | 121,9 | 123,1 | 124,3 | 125,5 | 126,7 | 128,0 |
| -20% | 117,2 | 118,2 | 119,2 | 120,2 | 121,2 | 122,2 | 123,2 |
3.9 Verslag van het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring SVG
Belanghebbendenorgaan Pensioenkring SVG
Het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring SVG is per 1 december 2016 ingesteld. Dat is de datum waarop Pensioenkring SVG van start is gegaan.
Samenstelling belanghebbendenorgaan Pensioenkring SVG
Het belanghebbendenorgaan bestaat uit de vertegenwoordiging van de geledingen van de werkgever, (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Het belanghebbendenorgaan bestaat uit drie leden.
De tweede zittingstermijn van de heer A.E. de Bruijn als lid van het belanghebbendenorgaan namens de werkgever liep op 1 december 2025 af. Per dezelfde datum is de heer R. Ferrier benoemd voor een termijn van 4 jaar als lid namens de werkgever van het belanghebbendenorgaan. We danken de heer de Bruijn voor zijn goede inzet en de prettige samenwerking over de afgelopen 8 jaar.
De samenstelling van het belanghebbendenorgaan is per datum van publicatie van het jaarverslag 2025 als volgt:
- Ab Ribbink (voorzitter) – namens de werknemers
- Bert Mögelin (secretaris) – namens de pensioengerechtigden
- René Ferrier – namens de werkgever
Taken en bevoegdheden
De taken en bevoegdheden van het belanghebbendenorgaan worden bepaald door het wettelijke kader, de Code Pensioenfondsen, de statuten en de reglementen van Stap. De taken en bevoegdheden zijn vastgelegd in het Reglement Belanghebbendenorgaan SVG.
Vergaderingen van het belanghebbendenorgaan in 2025
Het belanghebbendenorgaan ontvangt stukken voor vergaderingen, informatie en rapportages over de pensioenkring van het bestuursbureau via een digitale omgeving. Elk (aspirant) lid van het belanghebbendenorgaan is hiervoor geautoriseerd.
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 twee vergaderingen gehad met het bestuur. De eerste vergadering met het bestuur vond plaats in mei. Deze vergadering stond in het teken van het jaarverslag 2024 en de financiële opstelling van Pensioenkring SVG. De tweede vergadering vond plaats in november. In deze vergadering zijn het beleggingsplan 2026, het pensioenreglement 2026 en reglementsfactoren, de toeslagverlening, het communicatiejaarplan en het jaarplan 2026 van de pensioenkring behandeld. In beide vergaderingen met het bestuur is opnieuw veel aandacht geweest voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp), de kostenbeheersing en verdere groei van Stap.
In mei 2025 heeft het belanghebbendenorgaan overleg gevoerd met de raad van toezicht. Aan de hand van de jaarverslagen en de zelfevaluatierapporten van beide organen is een open gesprek gevoerd over de gang van zaken bij Stap en de voorbereiding op de implementatie van de Wtp. Hierbij is o.a. stilgestaan bij de wijze van verantwoording door de raad van toezicht, de risicobeheersing, de tijdsdruk door de voorbereiding op de transitie en de succession planning bij het bestuur en de raad van toezicht.
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 vijf eigen vergaderingen gehad. Bij deze vergaderingen is een delegatie van het bestuursbureau aanwezig geweest. In deze vergaderingen zijn de onderwerpen behandeld die in de vergaderingen met het bestuur op de agenda stonden. Naast de onderwerpen waarvoor het belanghebbendenorgaan goedkeurings- of adviesrechten heeft (separaat vermeld) zijn verder de volgende onderwerpen
behandeld:
- videobellen
- resultaten campagnes 2024
- wet toekomst pensioenen
- wet digitale overheid
- relatiecommunicatieplan
- stap Academy
- risicomanagement
In de eigen vergaderingen van het belanghebbendenorgaan zijn verder de maand- en kwartaalrapportages en de risicomanagementrapportages van de pensioenkring behandeld. Het belanghebbendenorgaan heeft in de eigen vergaderingen verdiepende vragen gesteld naar aanleiding van deze rapportages. Deze vragen zijn door het bestuursbureau beantwoord.
Verslag over 2025
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 goedkeuring verleend aan de volgende voorstellen van het bestuur ten aanzien van Pensioenkring SVG:
- de opzet van de zelfevaluatie van het belanghebbendenorgaan onder begeleiding van een externe partij
- het jaarplan en de begroting 2026 van de pensioenkring
- toeslagverlening 2025 (AMvB)
- de vergaderplanning voor 2026
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 positief advies gegeven over de volgende voorstellen van het bestuur ten aanzien van Pensioenkring SVG:
- het jaarverslag en de financiële opstelling van de pensioenkring over 2024
- de Actuariële- en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) 2025
- het pensioenreglement per 1 januari 2026 inclusief reglementsfactoren per 1 juli 2026 van de pensioenkring
- het communicatiejaarplan 2026 van de pensioenkring
Beoordeling en bevindingen
De beoordeling en bevindingen hebben betrekking op het verslagjaar 2025. Het belanghebbendenorgaan heeft over deze periode het volgende oordeel en bevindingen.
Financieel
De financiële markten waren volatiel maar ook veerkrachtig in 2025. Per saldo liep de beleidsdekkingsgraad in 2025 op. De rekenrente (RTS) steeg in 2025 van 2,25% naar 3,09% en het beleggingsrendement bedroeg 1,5% negatief. Per saldo steeg de dekkingsgraad van 124,8% naar 128,4%. De beleidsdekkingsgraad steeg van 125,2% naar 127,0%.
Beleggingen
Het totale beleggingsrendement in 2025 bedroeg 1,5% negatief. De categorie aandelen droeg 0,7% bij aan het totaalrendement, de vastrentende waarden -0,2% en liquiditeiten 0,1%. Verder leverde de overlay (resultaten uit renteswaps en valutaforwards) nog een bijdrage van -2,2%.
In november is het beleggingsbeleid geëvalueerd. Er was alleen sprake van een aantal operationele aanpassingen, namelijk het herijken van de bandbreedtes van staatsobligaties, het wijzigen van de minimum allocatie naar staatsobligaties en een aanpassing van de valutarisico-afdekking.
Toeslagverlening
Maatstaf voor de toeslagverlening is de ontwikkeling van de afgeleide Consumenten Prijs Index (CPI). Per september 2025 is deze uitgekomen op 3,16%. Op basis van de financiële positie per 30 september 2025 kon Pensioenkring SVG per 31 december 2025 aan alle deelnemers van de pensioenkring een gedeeltelijke toeslag verlenen van 2,51%. Het inhalen van de gemiste toeslagen was niet aan de orde omdat de beleidsdekkingsgraad onder de TBI-grens lag. De huidige toeslag is lager dan de lange termijn ambitie en werd verrekend met de toeslagachterstand. Dit is onderdeel van het toeslagbeleid van Pensioenkring SVG. De maximale cumulatieve achterstand per 31 december 2025 na verwerking van de beoogde toeslag bedroeg 13,81%. Verder is er door het belanghebbendenorgaan goedkeuring gegeven op het voorgenomen besluit van het bestuur om de AMvB toeslag van 0,65% toe te kennen aan alle deelnemers per 31 december 2025.
Wet toekomst pensioenen (Wtp)
Tijdens de vergaderingen van het belanghebbendenorgaan en tijdens vergaderingen met het bestuur van Stap is uitvoerig over de Wtp-aanpak gesproken en het proces dat daarbij hoort. In 2025 is er in de reguliere vergaderingen extra tijd ingeruimd voor de onderwerpen die verband hadden met de Wtp.
In augustus 2025 heeft Stap het ondertekende transitieplan ontvangen. De beoogde ingangsdatum voor invaren in het nieuwe pensioenstelsel is 1 juli 2027. Het belanghebbendenorgaan wordt in het voortraject door Stap meegenomen.
Informatie-uitwisseling
Het belanghebbendenorgaan ontvangt informatie en rapportages over de pensioenkring van het bestuursbureau via een eigen digitale vergaderomgeving. Dit betreft onder andere maand- en kwartaalrapportages en per kwartaal een risicomanagementrapportage. Daarnaast ontvangt het belanghebbendenorgaan tenminste maandelijks een nieuwsbrief over de actualiteiten. Deze frequentie wordt verhoogd wanneer hiertoe aanleiding is. Verder hebben de leden van het belanghebbendenorgaan toegang tot SPO-Perform.
In februari en september hebben leden van het belanghebbendenorgaan deelgenomen aan door Stap georganiseerde themamiddagen. Op beide themamiddagen is ruim aandacht gegeven aan de Wtp en de ‘lessons learned’ met betrekking tot de eerste pensioenkring van Stap per 1 mei 2025 heeft ingevaren in het nieuwe stelsel, namelijk Holland Casino. In juni heeft het BO met de BO-voorzitter van Holland Casino zijn bevindingen ten aanzien van het invaarproces separaat besproken.
Daarnaast waren o.a. de werkwijze van het bestuursbureau, de rollen en bevoegdheden van belanghebbendenorganen bij transitie, klantsignalen & klantfeedback management en de jaarlijkse awareness sessie compliance onderwerpen die eveneens aan de orde zijn gekomen.
Zelfevaluatie
Het belanghebbendenorgaan heeft in mei 2025 onder begeleiding van een externe partij de zelfevaluatie uitgevoerd. Met behulp van een vragenlijst is onder meer in kaart gebracht in welke aandachtsgebieden de behoefte aan kennisverdieping ligt bij de leden en de onderlinge samenwerking en de samenwerking met het bestuur en het bestuursbureau. In mei zijn de uitkomsten in onderling overleg besproken en vastgesteld. Samengevat luidden de conclusies:
- het beeld van het functioneren van het BO en de onderlinge samenwerking is goed en positief. Er is begrip voor elkaar en elkanders mening
- de samenstelling van het belanghebbendenorgaan is goed en juist samengesteld qua competenties. De leden vullen elkaar goed aan op het gebied van kennis
- de contacten met het bestuur worden als positief beoordeeld. Een aandachtspunt is het ontbreken van het adviesrecht ten aanzien van het beleggingsplan (niet strategische wijzigingen)
- de relatie met de raad van toezicht is goed. Als aandachtspunt wordt de openheid met betrekking tot de discussieonderwerpen met het bestuur benoemd
Verslaglegging en verantwoording
Ten aanzien van verslagleggingen en verantwoording is het belanghebbendenorgaan van mening dat de in 2025 aangepaste maand- en kwartaalrapportages en risicomanagementrapportages adequaat zijn en ruim voldoende diepgang verschaffen om de taken en verantwoordelijkheden uit te voeren. Het belanghebbendenorgaan heeft voorts een professionele indruk van het bestuur en het Bestuursbureau.
Vooruitblik Wet Toekomst Pensioenen
Het belanghebbendenorgaan wordt door het bestuur nauw betrokken bij de voorgenomen implementatie van de Wet toekomst pensioenen
Als streefdatum wordt 1 juli 2027 gehanteerd, waardoor het invaardossier uiterlijk eind juni 2026 moet worden ingediend bij DNB. Het BO heeft voor een aantal onderdelen van dit invaardossier goedkeuringsrecht .
Het totale oordeel
Op grond van het voorgaande komt het belanghebbendenorgaan tot het volgende totale oordeel.
- Het bestuur heeft voldoende en tijdig informatie verstrekt waarmee het belanghebbendenorgaan zich een positief oordeel heeft kunnen vormen over het gevoerde beleid in 2025
- Waar van toepassing zijn met het bestuur discussies gevoerd, waarbij in een aantal gevallen de adviezen van het belanghebbendenorgaan Pensioenkring SVG zijn overgenomen
Utrecht, 8 mei 2026
Belanghebbendenorgaan Pensioenkring SVG
Ab Ribbink (voorzitter)
Bert Mögelin
René Ferrier
Reactie bestuur
Met waardering voor de betrokkenheid van de leden van het belanghebbendenorgaan heeft het bestuur kennis genomen van het verslag van het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring SVG en het positieve oordeel over het in 2025 gevoerde beleid.
Het bestuur bedankt het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring SVG voor de verrichte werkzaamheden en kijkt er naar uit de constructieve samenwerking met het belanghebbendenorgaan in de toekomst voort te zetten.