7.1 Kerngegevens
| 2025 | 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal deelnemers | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 527 | 529 | 516 | 505 | 500 | ||||
| Gewezen deelnemers | 1.857 | 1.849 | 1.854 | 1.907 | 1.868 | ||||
| Pensioengerechtigden | 251 | 223 | 200 | 166 | 158 | ||||
| Totaal | 2.635 | 2.601 | 2.570 | 2.578 | 2.526 | ||||
| Dekkingsgraad | |||||||||
| Beleidsdekkingsgraad | 149,6% | 140,3% | 138,3% | 125,6% | 116,4% | ||||
| Feitelijke dekkingsgraad | 163,5% | 140,7% | 135,9% | 129,4% | 122,4% | ||||
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,1% | 104,1% | 104,1% | 104,1% | 104,1% | ||||
| Vereiste dekkingsgraad | 125,0% | 125,1% | 126,0% | 125,2% | 127,6% | ||||
| Financiële positie (in € 1.000) | |||||||||
| Pensioenvermogen | 653.733 | 656.320 | 576.368 | 458.757 | 635.768 | ||||
| Voorziening pensioenverplichtingen voor risico pensioenkring * / ** | 379.908 | 443.958 | 401.053 | 333.204 | 499.986 | ||||
| Herverzekeringsdeel technische voorzieningen | 1.643 | 2.140 | 2.530 | 1.899 | 2.503 | ||||
| Voorziening operationele kosten | 18.167 | 20.319 | 19.606 | 18.632 | 15.871 | ||||
| Technische voorzieningen risico deelnemers | 0 | 0 | 798 | 813 | 991 | ||||
| Eigen vermogen | 254.015 | 189.903 | 152.381 | 104.209 | 116.417 | ||||
| Minimaal vereist eigen vermogen | 16.263 | 18.962 | 17.269 | 14.483 | 21.121 | ||||
| Vereist eigen vermogen | 100.019 | 116.916 | 110.071 | 89.280 | 143.162 | ||||
| Premies en uitkeringen (in € 1.000) | |||||||||
| Kostendekkende premie | 23.374 | 26.286 | 28.828 | 14.796 | 9.684 | ||||
| Feitelijke premie *** | 22.763 | 30.654 | 35.172 | 12.807 | 7.838 | ||||
| Gedempte premie | 20.106 | 19.755 | 33.872 | 12.560 | 7.766 | ||||
| Pensioenuitkeringen | 6.374 | 5.307 | 4.587 | 3.710 | 1.045 | ||||
| Toeslagen | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 4,74% | 6,94% | 6,31% | 3,39% | 2,00% | ||||
| Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden **** | 3,27% | 3,50% | 0,21% | 13,22% | 2,70% | ||||
| Niet toegekende toeslagen deelnemers (cumulatief) | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | ||||
| Niet toegekende toeslagen gewezen deelnemers en pensioengerechtigden (cumulatief) |
0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | 0,00% | ||||
| Beleggingsrendement ***** | |||||||||
| Beleggingsrendement risico pensioenkring | -2,7% | 8,3% | 14,2% | -27,4% | 0,0% | ||||
| Beleggingsrendement risico deelnemer | 0,0% | 8,6% | 11,9% | -17,9% | 13,3% | ||||
| Kostenratio`s ****** | |||||||||
| Pensioenuitvoeringskosten | 0,18% | 0,13% | 0,13% | 0,13% | 0,04% | ||||
| Vermogensbeheerkosten | 0,22% | 0,22% | 0,21% | 0,18% | 0,06% | ||||
| Transactiekosten | 0,03% | 0,03% | 0,11% | 0,01% | 0,04% | ||||
| Gemiddelde duration (in jaren) | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 21,4 | 23,8 | 23,8 | 23,8 | 26,0 | ||||
| Gewezen deelnemers | 21,3 | 23,7 | 23,8 | 24,8 | 26,7 | ||||
| Pensioengerechtigden | 10,0 | 10,9 | 10,9 | 11,0 | 12,8 | ||||
| Totaal gemiddelde duration | 18,5 | 21,2 | 21,5 | 22,4 | 24,7 | ||||
| Gemiddelde rekenrente | 3,21% | 2,13% | 2,30% | 2,48% | 0,60% |
7.2 Algemene informatie
Pensioenkring GE Nederland is vanaf 1 september 2021 operationeel. Per die datum zijn de pensioenaanspraken en het vermogen van Stichting Pensioenfonds General Electric Nederland in liquidatie overgedragen aan Stap Pensioenkring GE Nederland door middel van een collectieve waardeoverdracht. De aangesloten werkgevers en Stap zijn per 1 september 2021 een uitvoeringsovereenkomst aangegaan voor een periode van vijf jaar. De uitvoeringsovereenkomsten met de aangesloten ondernemingen zijn per 1 januari 2023 aangepast omdat het General Electric concern is opgesplitst in drie separate vennootschapsrechtelijke groepen (GE Healthcare, GE Vernova en GE Aerospace). De aangesloten ondernemingen behoren tot een van deze drie groepen.
De samenstelling en zittingstermijnen van het belanghebbendenorgaan zijn op het moment van vaststellen van het jaarverslag als volgt:
| Naam lid belanghebbendenorgaan | Ingangsdatum zittingstermijn | Einddatum 1ste zittingstermijn | Einddatum 1ste herbenoeming | Laatste termijn eindigt op |
|---|---|---|---|---|
| Nina Nijs (1953), voorzitter namens de deelnemers |
01-09-2021 | 01-09-2025 | 01-09-2029 | 01-09-2033 |
| Taugir Sardar (1978), vice voorzitter namens de werkgevers |
01-09-2021 | 01-09-2025 | 01-09-2029 | 01-09-2033 |
| Arjan van der Linde (1976), lid namens de werkgevers |
01-09-2021 | 01-09-2025 | 01-09-2029 | 01-09-2033 |
| Sjoerd Lousberg (1981), lid namens de werkgevers |
01-09-2021 | 01-09-2025 | 01-09-2029 | 01-09-2033 |
| Dirk van Unnik (1964), lid namens de deelnemers |
01-09-2021 | 01-09-2025 | 01-09-2029 | 01-09-2033 |
| Vacature, lid namens de pensioengerechtigden |
01-09-2021 | 01-09-2025 | 01-09-2029 | 01-09-2033 |
Na een kort ziekbed is BO-lid Fred Bos helaas begin 2026 overleden. De heer Bos was in het verleden bestuurslid van het voormalig GE Pensioenfonds en sinds de overgang naar Stap BO-lid. Voorheen is hij werkzaam geweest als algemeen directeur van GE Medical. Met hem verliest Stap een betrokken en deskundig BO-lid.
Het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring GE Nederland heeft in 2025 twee keer overleg gehad met het bestuur. In mei 2025 stond het overleg in het teken van het jaarverslag 2024 en het tweede overleg heeft in december 2025 plaatsgevonden. Daarin zijn diverse onderwerpen zoals het beleggingsplan 2026, het jaarplan 2026, de toeslagverlening per 31 december 2025, het communicatiejaarplan 2026 en het pensioenreglement 2026 behandeld. Naast de vergaderingen met het bestuur, heeft het belanghebbendenorgaan ook vijf eigen vergaderingen gehad waarbij een delegatie van het bestuursbureau aanwezig was.
7.3 Pensioenparagraaf
Kenmerken regeling
De belangrijkste kenmerken van de regeling luiden als volgt:
| Pensioenregeling | De pensioenregeling is een onvoorwaardelijke middelloonregeling voor actieve deelnemers en met voorwaardelijke toeslagen voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. De voorwaardelijke toeslagen worden gefinancierd vanuit de pensioenpremie. De pensioenregeling heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst. |
|---|---|
| Pensioenleeftijd | Leeftijd 68 jaar |
| Toetredingsleeftijd | Leeftijd 18 jaar |
| Pensioengevend salaris | 12 maal het overeengekomen basissalaris en de overeengekomen ploegentoeslag, alsmede de door de werkgever schriftelijk aangewezen vaste (persoonlijke) toeslagen vermeerderd met de bijbehorende vakantietoeslag en de dertiende maand. Het pensioengevend salaris is gemaximeerd € 137.800 (2025). |
| Franchise | € 18.584 (2025), verhoging volgt het bruto minimumloon. |
| Pensioengrondslag | De pensioengrondslag bedraagt het pensioengevend salaris minus de franchise. De pensioengrondslag wordt vermenigvuldigd met de parttimefactor. |
| Opbouwpercentage ouderdomspensioen | Het opbouwpercentage is 1,875%. |
| Partnerpensioen | Het partnerpensioen bedraagt 70% van het bereikbare ouderdomspensioen. |
| Wezenpensioen | Het wezenpensioen bedraagt per kind 14% van het bereikbare ouderdomspensioen. Het totale bedrag aan wezenpensioen bedraagt niet meer dan 70% van het bereikbare ouderdomspensioen. |
| Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid | Bij arbeidsongeschiktheid wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. |
| Arbeidsongeschiktheids-pensioen | 70% van het positieve verschil tussen het pensioengevend salaris en het maximum jaarloon waarover uitkeringen ingevolge de WIA worden genoten, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. |
Ontwikkelingen in aantallen deelnemers
In onderstaande tabel is een mutatieoverzicht opgenomen met de ontwikkelingen in het deelnemersbestand.
| Deelnemers | Actief | Ingegaan OP/NP | Ingegaan WzP | Gewezen | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| Per 31 december 2024 | 529 | 207 | 16 | 1.849 | 2.601 |
| Bij | 54 | 31 | 1 | 52 | 138 |
| Af | 56 | 4 | 0 | 44 | 104 |
| Per 31 december 2025 | 527 | 234 | 17 | 1.857 | 2.635 |
In de volgende tabel zijn per groep de aangesloten ondernemingen en het aantal (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden vermeld.
| Groep | Aangesloten ondernemingen | Actieven | Pensioengerechtigden | Gewezen |
|---|---|---|---|---|
| Healthcare | • GE Healthcare B.V. (Medical systems) • GE International (Benelux) B.V. • GE Healthcare B.V. (MDx) |
439 | 124 | 862 |
| Vernova | • GE Power Netherlands B.V. • GE Albany G. Holding B.V. • GE International INC. – Netherlands branch • GE Global Services GmbH • GE Renewable Holding • GE Digital Netherlands B.V. |
68 | 109 | 764 |
| Aerospace | • GE Captial Finance • AerCap Aircraft Leasing Netherlands B.V. • GE Aviation Netherlands B.V. |
20 | 18 | 231 |
Financieringsbeleid
Pensioenfondsen zijn verplicht om een kostendekkende premie te berekenen. De kostendekkende premie is het (wettelijk) ijkpunt bij de beoordeling van de feitelijke premie. Bij de berekening van de kostendekkende premie moet worden uitgegaan van dezelfde grondslagen als die waarmee de technische voorzieningen worden vastgesteld volgens artikel 2 van het Besluit ftk. In afwijking daarvan mag de kostendekkende premie worden gedempt op basis van een voortschrijdend gemiddelde van de rente met een maximumperiode van 10 jaar of met het verwachte portefeuillerendement. Voor Pensioenkring GE Nederland wordt de premie gedempt op basis van het verwachte portefeuillerendement.
Feitelijke premie
De feitelijke premie wordt op dezelfde grondslagen berekend als de gedempte premie, met uitzondering van de rekenrente en de solvabiliteitsopslag. Bij de feitelijke premie wordt een vaste rekenrente van 1,7% gehanteerd. Tevens wordt de solvabiliteitsopslag gehanteerd zoals deze geldt per 31 december van het voorafgaande jaar.
Naast de componenten genoemd in de gedempte premie bevat de feitelijke premie de volgende aanvullende componenten:- een aanvullende werkgeversbijdrage van 0,8% van de brutoloonsom van alle actieve deelnemers in de pensioenkring. De brutoloonsom bestaat uit de som van de bruto jaarsalarissen van de actieve deelnemers. Peildatum is 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de aanvullende werkgeversbijdrage wordt betaald. Over deze bijdrage is geen opslag voor toekomstige uitvoeringskosten en solvabiliteitsopslag verschuldigd
- herstelpremies (alleen indien op basis van de maatregelen in een herstelplan herstelpremies verschuldigd zijn)
Er kan een premiekorting voor de werkgever van toepassing zijn, afhankelijk van de financiële positie van de pensioenkring. Dit wordt vastgesteld aan de hand van de TBI-grens en de beleidsdekkingsgraad ultimo boekjaar.
Om het weerstandsvermogen op peil te houden dient er tevens een bijdrage te worden geleverd aan het weerstandsvermogen.
Gedempte premie
Om conform de Pensioenwet te toetsen in hoeverre de feitelijke premie voldoet aan de wettelijke eisen, hanteert de pensioenkring de zogenoemde gedempte premie. De gedempte premie wordt vastgesteld op basis van onder andere de volgende uitgangspunten en wordt uitgedrukt in een percentage van de pensioengrondslagsom.
| Basispremie | Actuariële koopsom voor het in het jaar op te bouwen ouderdomspensioen en de toegekende toeslagen vermeerderd met de risicopremies voor nog niet opgebouwde aanspraken op partnerpensioenen en wezenpensioen en de premievrijstelling en het arbeidsongeschiktheidspensioen. |
|---|---|
| Premie extra pensioenaanspraken | Dit betreft inkoop van een extra pensioenaanspraak op grond van het addendum bij het Pensioenreglement 67 jaar. |
| Toeslagen | De indexatie van de aanspraken van actieve en arbeidsongeschikte deelnemers maakt deel uit van de pensioenovereenkomst, en is derhalve onvoorwaardelijk. De actuariële koopsom voor de onvoorwaardelijke toeslag voor actieve deelnemers is onderdeel van de premie. De indexatie van de aanspraken van gewezen deelnemers en van de pensioenrechten van pensioengerechtigden (waaronder arbeidsongeschiktheidspensioenen) is voorwaardelijk. De actuariële koopsom voor de voorwaardelijke onderdelen van het toeslagbeleid is onderdeel van de premie en wordt verminderd met de vrijval uit de exit voorziening. |
| Rekenrente | De berekening van de gedempte premie is gebaseerd op een verwacht rendement op basis van het huidige strategisch beleggingsbeleid. Hierbij is gebruik gemaakt van het in artikel 36b Besluit financieel toetsingskader geboden overgangsrecht door voor de premiestelling vanaf het jaar 2024 het rendement op vastrentende waarden opnieuw vast te zetten voor een periode van vijf jaar op basis van de rentetermijnstructuur van 30 september 2023. Voor de risicopremies (meetkundig) zijn de hoogtes gelijk gesteld aan de maximale rendementsparameters zoals vastgesteld in artikel 23a van het Besluit FTK en geldend per 1 juli 2023. De curve is verlaagd met inflatie op basis van de minimale verwachtingswaarde van de prijsinflatie (2,0%) en het ingroeipad zoals dit door De Nederlandsche Bank op 6 oktober 2023 is gepubliceerd. De resulterende rentecurve geldt voor de periode van 1 januari 2024 tot uiterlijk 1 januari 2029 (of de eerdere transitiedatum naar het nieuwe pensioenstelsel). |
| Solvabiliteit | De solvabiliteitsopslag is gelijk aan nul, tenzij de verlaging van de rekenrente door rekening te houden met de inflatie leidt tot een lagere opslag op de premie dan een solvabiliteitsopslag ter hoogte van het vereist eigen vermogen. In dat geval dient de hoogte van de solvabiliteitsopslag gelijk te zijn aan het percentage dat behoort bij het vereist eigen vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid. De rendementscurve wordt dan niet verlaagd met de inflatie op basis van het ingroeipad. |
| Sterftekansen | Ontleend aan de meest recente prognosetafel, zoals gepubliceerd door het Koninklijke Actuarieel Genootschap. Bij gebruik van de prognosetafel wordt rekening gehouden met leeftijdsafhankelijke ervaringssterftefactoren die zijn vastgesteld met behulp van het Demographic HorizonsTM Model (Aon). |
Kostendekkende premie
Naast de gedempte premie wordt jaarlijks ook de kostendekkende premie bepaald. De kostendekkende premie wordt op dezelfde grondslagen berekend als de gedempte premie, met uitzondering van de rekenrente en de solvabiliteitsopslag. Bij de kostendekkende premie wordt de actuele rentetermijnstructuur gebruikt zoals door DNB gepubliceerd wordt per 31 december van het voorafgaande jaar. Tevens wordt de solvabiliteitsopslag gehanteerd zoals deze geldt per 31 december van het voorafgaande jaar.
Weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen voor Pensioenkring GE Nederland bedraagt 0,2% van het beheerde pensioenvermogen. Dit weerstandsvermogen is het vermogen dat Stap volgens het bepaalde bij of krachtens de Pensioenwet ten minste moet aanhouden als vermogen om de bedrijfsrisico’s te dekken. Het weerstandsvermogen maakt geen deel uit van het vermogen van Pensioenkring GE Nederland.
Voor het weerstandsvermogen geldt een wettelijk voorgeschreven minimum en maximum. Doorlopend wordt getoetst of het aanwezige weerstandsvermogen hieraan voldoet. Daarbij vastgestelde overschotten en tekorten van het weerstandsvermogen die het gevolg zijn van het behaalde positieve of negatieve rendement op het vermogen van Pensioenkring GE Nederland, komen ten goede aan respectievelijk ten laste van het behaalde bruto rendement op het vermogen van Pensioenkring GE Nederland.
Klachten en geschillen
Luisteren naar deelnemers en daarnaar handelen biedt kansen om onze dienstverlening structureel te blijven verbeteren. Hierbij volgen we de geactualiseerde versie (september 2024) van de Gedragslijn Goed omgaan met Klachten. Een vorm van zelfregulering waarmee leden van de Pensioenfederatie hebben vastgelegd wat het basisniveau is van hoe we als pensioenfondsensector willen omgaan met klachten. In 2025 hebben we ons ingezet op verdere professionalisering van klachtenmanagement met als belangrijk resultaat dat we 94% scoorden op de naleving van de Gedragslijn Goed omgaan met klachten – ruim boven de sectornorm van 84%.
We hanteren de wettelijke bredere definitie van een klacht: elke uiting van ontevredenheid van een persoon gericht aan de pensioenuitvoerder. Dat betekent dat uitingen van ongenoegen die via verschillende kanalen bij ons binnenkomen worden beschouwd als een klacht. Stap ziet ieder klantsignaal en ieder contact met een persoon waaruit blijkt dat niet is voldaan óf juist wel is voldaan aan de verwachtingen als een kans. Dit vraagt om een werkwijze waarbij alle klantsignalen structureel worden vastgelegd en geanalyseerd om mogelijke verbeterrichtingen te bepalen. Op basis van prioritering wordt vervolgens besloten welke signalen worden opgepakt en uitgewerkt tot een verbeterinitiatief. Door daarna terug te koppelen aan bijvoorbeeld deelnemers, werkgevers, medewerkers of melders over wat er met hun signaal is gedaan (of waarom niet), wordt de feedbackloop gesloten.
Met onze werkwijze sluiten wij aan bij de verwachtingen van de deelnemers en werkgevers. Bovendien is het fonds zo goed in staat om verwachtingen en vragen van deelnemers over het nieuwe stelsel goed vast te leggen en om te zetten. Zowel in 2024 als 2025 zijn er voor Pensioenkring GE Nederland geen klachten over de nieuwe pensioenregeling (toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie).
In onderstaand schema staan de aantallen klachten, geëscaleerde klachten en geschillen over 2025 toebedeeld aan een aantal vaste rubrieken zoals beschreven in de gedragslijn. Een geëscaleerde klacht is een klacht die niet in één keer, naar tevredenheid van de klant, is opgelost. Klachten die niet in onderling overleg worden opgelost, kunnen uitmonden in een geschil. Geschillen kunnen door de deelnemer worden voorgelegd aan de Geschillen Instantie Pensioenfondsen (waarbinnen de deelnemer kan kiezen voor bemiddeling door de Ombudsman of beslechting) of de burgerlijke rechter.
De tabel hieronder toont de AFM-rubrieken. In 2025 zijn twee klachten afgehandeld, één klacht over de pensioenberekening en -betaling en éénklacht over de registratie werknemersgegevens/datakwaliteit. Onze pensioenuitvoeringsorganisatie gebruikt daarnaast een uitgebreidere classificatielijst voor meer detail en beter inzicht in alle klantsignalen.
| Onderwerp | Klachten | Geëscaleerde klachten | Geschillen |
|---|---|---|---|
| Afgehandelde klachten 2025 per onderwerp: | |||
| - service en klantgerichtheid | 0 | 0 | 0 |
| - behandelingsduur | 0 | 0 | 0 |
| - informatieverstrekking | 0 | 0 | 0 |
| - deelnemersportaal | 0 | 0 | 0 |
| - keuzebegeleiding | 0 | 0 | 0 |
| - pensioenberekening en -betaling | 1 | 0 | 0 |
| - registratie werknemersgegevens/datakwaliteit | 1 | 0 | 0 |
| - toepassing wet- en regelgeving: algemeen | 0 | 0 | 0 |
| - toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie | 0 | 0 | 0 |
| - financiële situatie | 0 | 0 | 0 |
| - duurzaamheid | 0 | 0 | 0 |
| - overig | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 2 | 0 | 0 |
Op basis van de uitkomsten hebben we onder andere de volgende verbetering doorgevoerd:
Verduidelijking partnerpensioen bij pensioenaanvraag
Informatie over klantcontacten was verspreid over meerdere systemen en kanalen waardoor een samenhangend beeld ontbrak. Door uiteenlopende classificaties was het combineren en analyseren van data ingewikkeld. Rapportages over deelnemersvragen en deelnemersklachten kostten veel tijd en leverden beperkte inzichten op.
Oplossing
Er is één uniforme indeling gemaakt, waarbij de classificatie gekoppeld is aan producten, diensten (PDC) en klantreizen. De integratie van sentimentanalyse en klantsignalen zorgt voor rijkere inzichten in de behoeften en ervaringen van deelnemers.
Verder voert onze pensioenuitvoeringsorganisatie een periodieke meting uit naar de klanttevredenheid over de behandeling van klachten (de Klanttevredenheidsmonitor ‘Ik heb een klacht’). Deze meting wordt vier keer per jaar verstuurd naar aanleiding van een uiting van onvrede of een ingediende klacht en bevat onder meer vragen over de tevredenheid van de deelnemer over onze reactie of geboden oplossing en het algehele klachtenproces. Voor Stap komt de gemiddelde tevredenheid over 2025 (Q1–Q3) uit op een 7,0 op een 10-puntsschaal. Op basis van deze metingen ontstaat het beeld dat de tevredenheid over de klachtbehandeling wisselend is en dat er ruimte is voor verbetering in de ervaren afhandeling van klachten, waarbij de uitkomsten mede moeten worden bezien in het licht van het in sommige gevallen beperkte aantal ingevulde vragenlijsten.
7.4 Vermogensbeheer
Beleggingsmix
In onderstaande tabel zijn de actuele en strategische beleggingsmix per ultimo 2025 en 2024 opgenomen.
| 2025 | 2024 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
|
| Aandelen | 356,0 | 53,0 | 50,0 | 362,4 | 54,3 | 50,0 |
| Opkomende markten | 49,7 | 7,4 | 6,5 | 42,2 | 6,3 | 6,5 |
| Ontwikkelde markten | 306,3 | 45,6 | 43,5 | 320,2 | 47,9 | 43,5 |
| Vastrentende waarden * | 284,4 | 47,0 | 50,0 | 270,9 | 45,7 | 50,0 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) | 42,0 | 6,2 | 6,2 | 39,1 | 5,9 | 6,3 |
| Bedrijfsobligaties Europa | 42,9 | 6,4 | 6,3 | 38,7 | 5,8 | 6,3 |
| Hypotheken Nederland | 57,4 | 8,5 | 10,0 | 56,7 | 8,5 | 10,0 |
| Green Bonds | 17,1 | 2,5 | 2,5 | 14,7 | 2,2 | 2,5 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | 125,0 | 18,6 | 121,6 | 18,2 | ||
| Liquiditeiten | 45,2 | 6,7 | 28,2 | 4,2 | ||
| Overlay | -13,9 | -2,1 | 25,0 | 6,5 | 1,0 | 25,0 |
| Interest Rate Swap | -14,7 | -2,2 | 12,7 | 1,9 | ||
| FX Forward | 0,8 | 0,1 | -6,2 | -0,9 | ||
| Totaal ** / *** | 671,8 | 100,0 | 100,0 | 667,9 | 100,0 | 100,0 |
In december 2025 is het beleggingsplan 2026 vastgesteld. Het beleggingsplan 2026 heeft als ingangsdatum 1 januari 2026.
Ten opzichte van het beleggingsplan 2025 zijn er voor het beleggingsplan 2026 geen wijzigingen in de strategische allocatie van de beleggingen aangebracht.
Resultaten beleggingen
In onderstaande tabel worden de beleggingsresultaten van 2025 weergegeven.
| Cijfers in % | Pensioenkring * | Benchmark | Relatief | Bijdrage aan totaal rendement |
|---|---|---|---|---|
| Aandelen | 2,6 | 2,5 | 0,2 | 1,3 |
| Aandelen ontwikkelde markten (MM World Equity Index SRI Fund) |
0,5 | 0,1 | 0,4 | 0,2 |
| Aandelen opkomende markten (Northern Trust Emerging Markets ESG Fund) |
17,9 | 17,8 | 0,1 | 1,1 |
| Vastrentende waarden | -5,3 | -6,3 | 1,0 | -2,2 |
| Bedrijfsobligaties Europa (MM Euro Credit ESG Fund) |
3,3 | 3,0 | 0,3 | 0,2 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) (MM Global Credit Ex Financials Fund - Unhedged) |
-1,7 | -1,8 | 0,1 | -0,1 |
| Hypotheken Nederland (MM Dutch Mortgage Fund) |
1,4 | -1,6 | 2,9 | 0,1 |
| Green Bonds (MM Global Green Bond Fund) |
2,9 | 2,6 | 0,3 | 0,1 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | -12,6 | -12,6 | 0,0 | -2,5 |
| Totaal exclusief liquiditeiten en overlay | -1,1 | -2,0 | 0,9 | -0,9 |
| Liquiditeiten | 0,1 | |||
| Totaal overlay | -1,8 | |||
| Interest Rate Swap | -3,8 | |||
| FX Forward | 2,0 | |||
| Totaal ** | -2,7 | -2,7 |
Toelichting resultaten beleggingen 2025
In deze paragraaf wordt ingegaan op de behaalde rendementen van de pensioenkring (1). De belangrijkste bijdragen aan het rendement en de meest opvallende relatieve en absolute rendementen worden hierna toegelicht.
(1) Voor de meeste beleggingscategorieën wordt passief belegd. Doordat de benchmark geen rekening houdt met transactiekosten is het rendement van de passief beheerde beleggingsfondsen, als gevolg van de transactiekosten, meestal iets lager dan de gehanteerde benchmark.
Toelichting resultaten aandelen
Door de stijging van de aandelenmarkt droeg de categorie aandelen met 1,3%-punt positief bij aan het totaal rendement. Het Northern Trust Emerging Markets ESG Fund had met 1,1%-punt de grootste positieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen in aandelen is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten vastrentende waarden
Vastrentende waarden droegen 2,2%-punt negatief bij aan het totaal rendement. De portefeuille met discretionaire nominale staatobligaties leverde met 2,5%-punt de grootste negatieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Een toelichting over de resultaten van de beleggingsfondsen in vastrentende waarden is opgenomen in hoofdstuk 13.1 Toelichting resultaten beleggingsfondsen.
Toelichting resultaten overlay
De overlay, bestaande uit renteswaps en valutaforwards, heeft voornamelijk als doel om de dekkingsgraad van de pensioenkring te beschermen tegen financiële risico’s en droeg in de verslagperiode -1,8%-punt bij aan het rendement.
De renteswaps droegen met -3,8%-punt negatief bij aan het totale beleggingsresultaat. De afdekking van het renterisico heeft het gehele jaar rond het strategische niveau van 70% gefluctueerd, waarbij de verplichtingen qua looptijd meer zijn afgedekt aan het korte eind van de rentecurve ten opzichte van het lange eind. De te betalen floating rente van de renteswaps leidde tot een positieve bijdrage vanwege de lagere kortetermijn rente. Dit effect was kleiner dan het negatieve rendement op de swaps als gevolg van de fors gestegen swaprente in 2025.
Per saldo leidde de afdekking van het valutarisico tot een positieve bijdrage aan het rendement van 2,0%. Dit is met name een gevolg van het afdekken van de Amerikaanse dollar die zwakker werd ten opzichte van de euro.
Attributie analyse
De attributie geeft een nadere verklaring van de behaalde out-performance over een bepaalde periode. Dit wordt verklaard door twee elementen:
- allocatie: out-performance behaald door meer/minder te beleggen (alloceren) in categorieën die het relatief beter/slechter doen ten opzichte van het totaal
- selectie: out-performance behaald door binnen de beleggingscategorie bepaalde beleggingen te kiezen die een out-performance behalen ten opzichte van hun respectievelijke benchmark
| Attributie beleggingscategorieën eind 2025 | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % * | Allocatie effect | Selectie effect |
| Aandelen | 0,0 | 0,2 |
| Vastrentende waarden | 0,4 | 0,3 |
| Totaal | 0,4 | 0,5 |
Het positieve relatieve rendement wordt veroorzaakt door zowel het selectie effect als het attributie effect. Het MM Dutch Mortgage Fund en het MM World Equity SRI Fund zorgden beiden voor de grootste positieve bijdrage aan het selectie effect, namelijk beiden met 0,2%-punt. Binnen het allocatie effect zorgde de portefeuille met discretionaire nominale staatsobligaties voor het grootste positieve effect, namelijk 0,4%-punt.
Uitvoering MVB-beleid
Het maatschappelijk verantwoord beleggen beleid van Stap staat beschreven in hoofdstuk 1.5 Beleggingen. Hieronder wordt de uitvoering van dit beleid beschreven die specifiek van toepassing is voor de pensioenkring.
Voor de beleggingen in het Northern Trust Emerging Markets Fund voert de fondsbeheerder stem- en engagement activiteiten uit en bepaalt de fondsbeheerder de uitsluitingslijst. Het MVB- instrumentarium binnen het Northern Trust Emerging Markets Fund wordt hieronder separaat toegelicht.
Screening en engagement
Eind 2025 werd met 12 bedrijven, waarin de pensioenkring via de MM-beleggingsfondsen belegt, een dialoog gevoerd. Het voeren van de dialoog heeft Stap uitbesteed aan Aegon AM. Dit betreft 12 bedrijven die niet of mogelijk niet voldoen aan één of meerdere principes van de UN Global Compact, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
| Mensenrechten | Milieu | Corruptie |
|---|---|---|
| 10 | 2 | 0 |
De resultaten van alle engagement trajecten worden in de volgende tabel voor 12 bedrijven weergegeven. Hiervoor wordt een mijlpalenaanpak gehanteerd.
| Mijlpaal 1 | Mijlpaal 2 | Mijlpaal 3 | Mijlpaal 4 |
|---|---|---|---|
| 2 | 5 | 5 | 0 |
De mijlpalen houden het volgende in:
- mijlpaal 1: probleem aangestipt, een bedrijf heeft nog geen reactie gestuurd
- mijlpaal 2: reactie van een bedrijf ontvangen
- mijlpaal 3: bedrijf heeft aangegeven bereid te zijn om een probleem op te willen lossen en heeft concrete vervolgstappen genomen
- mijlpaal 4: doelstelling van de engagement bereikt
Het engagementbeleid van Northern Trust Asset Management is gericht op governance, risicobeheer, audit, bedrijfscultuur, energie, sociale & ethische waarden en duurzame waarde creatie. Engagement activiteiten worden uitgevoerd door een intern ESG team en via de stewardship service provider Hermes EOS. Per eind 2025 vinden er met 61 ondernemingen engagement activiteiten plaats over in totaal 219 environmental, social en governance vraagstukken en doelstellingen.
Uitsluitingen
De pensioenkring belegt het grootste deel van het belegd vermogen in de multi-manager beleggingsfondsen beheerd door Aegon AM. Voor deze fondsen is een uitsluitingsbeleid van toepassing zoals beschreven in de hoofdstuk 1.5 Beleggingen.
Het Global Sustainable Investing Team van Northern Trust is verantwoordelijk voor het bepalen van de uitsluitingen van ondernemingen die deel uitmaken van de MSCI Emerging Markets. Op basis van de uitsluitingen construeert MSCI de MSCI Emerging Markets Custom ESG Index.
Per eind 2025 werden 120 ondernemingen uitgesloten van het MSCI Emerging Markets universum met een gewicht van 6,7%.
Ondernemingen binnen het beleggingsfonds worden uitgesloten op basis van onderstaande criteria:
- tabak, adult entertainment, gokken
- governance restricties
- wapens
- thermische kolen, artic oil & gas, teerzand
- commerciële gevangenissen
- het niet voldoen aan de UN’s Global Compact Ten Principles
Stemmen
De uitgebrachte stemmen worden in onderstaande tabel per thema weergegeven. Hierbij wordt tevens aangegeven of er afwijkend van het stemadvies van de onderneming en/of het stemadviesbureau is gestemd.
| Thema | Overname | Kapitaal-structuur | Bestuur | Reorganisatie & fusies | Mensen-rechten | Bedrijfs-specifiek | Compensatie | Overig |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitgebrachte stemmen |
38 | 285 | 3.383 | 21 | 15 | 952 | 551 | 77 |
| Afwijkend van management onderneming |
0 | 14 | 164 | 3 | 10 | 39 | 58 | 34 |
| Afwijkend van advies stemadviesbureau |
0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Nederlandse beurgenoteerde ondernemingen
In de rapportageperiode is bij 6 Nederlandse ondernemingen afwijkend van de aanbeveling van het management gestemd.
Voor de belangrijkste stemmingen wordt hierna benoemd waarom er tegen de aanbeveling van het management van de Nederlandse ondernemingen is gestemd:
- er is tegen het remuneratiebeleid gestemd, omdat deze als buitensporig en niet marktconform wordt bestempeld
- bij een onderneming is er tegen het langetermijn beloningspakket gestemd, omdat deze onvoldoende onderworpen was aan prestatiedoelstellingen
- er is tegen de voorgestelde (her)benoeming van enkele bestuurders gestemd, omdat dit niet in lijn is met good practices voor de samenstelling van het bestuur op het vlak van diversiteit en/of onafhankelijkheid
Northern Trust stemt namens de beleggingen in het beleggingsfonds. De Northern Trust Policy heeft specifiek betrekking op SRI-richtlijnen die mensenrechten, dierenrechten, aandacht voor vrouwen in raden van bestuur, diversiteit en gelijke werkgelegenheid, milieu en duurzaamheid en liefdadigheidsbijstand overwegen. De Northern Trust’s Proxy Committee is verantwoordelijk voor de inhoud, interpretatie en toepassing van de proxy voting guidelines.
7.5 Kostentransparantie
Het onderstaande overzicht is opgesteld conform de Aanbeveling Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Mede op basis van deze aanbevelingen is een deel (30% van de exploitatiekosten) van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer gealloceerd naar de kosten voor vermogensbeheer. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | 1.155 | 842 | 0,18 | 0,13 |
| Kosten vermogensbeheer | 1.457 | 1.370 | 0,22 | 0,22 |
| Transactiekosten | 203 | 214 | 0,03 | 0,03 |
| Totaal ** | 2.815 | 2.426 | 0,43 | 0,38 |
De hierboven vermelde kosten zijn uitgedrukt in een percentage van het gemiddeld belegd vermogen in het betreffende jaar en worden in de volgende paragrafen nader uitgesplitst en toegelicht.
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
Deze kosten betreffen de kosten voor pensioenbeheer en de exploitatie van Stap. De wijziging van het weerstandsvermogen wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Administratiekostenvergoeding | 643 | 428 | 0,10 | 0,07 |
| Administratiekostenvergoeding meerwerk | 80 | 48 | 0,01 | 0,01 |
| Exploitatiekosten | 494 | 435 | 0,08 | 0,07 |
| Overige kosten | 115 | 81 | 0,02 | 0,01 |
| Allocatie naar kosten vermogensbeheer | -177 | -150 | -0,03 | -0,02 |
| Totaal ** | 1.155 | 842 | 0,18 | 0,13 |
De administratiekostenvergoeding is in 2025 toegenomen als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Deze bedroeg 7,18% voor 2025. Daarnaast zijn er kosten gemaakt voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door TKP (206). De administratiekostenvergoeding meerwerk bestaat in 2025 uit een vergoeding voor aanvullende dienstverlening en een vergoeding voor meerwerk activiteiten vanuit wet- en regelgeving . Deze is voornamelijk gestegen door kosten voor DORA, WDO en klantsignalen.
De exploitatiekosten betreffen kosten die vanuit de pensioenkring worden betaald aan Stap voor governance. Deze kosten bestaan uit een vaste vergoeding voor Stap, kosten voor de werkzaamheden door de onafhankelijk accountant en de certificerend actuaris, kosten voor de actuariële functie, kosten voor adviserend actuaris, kosten voor het toezicht door AFM en DNB, kosten voor de Pensioenfederatie en Eumedion, kosten die samenhangen met voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door Stap en kosten van het belanghebbendenorgaan. Een deel (30%) van de exploitatiekosten wordt toegerekend aan de kosten vermogensbeheer. De exploitatiekosten zijn in 2025 toegenomen. De kosten zijn vooral toegenomen door de stijging van de vaste vergoeding voor Stap, de kosten van het toezicht door DNB en de kosten van het belanghebbendenorgaan.
Onder overige kosten zijn bankkosten, contributies, kosten voor communicatie-uitingen en kosten voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door externe adviseurs opgenomen. De overige kosten zijn in 2025 toegenomen door een stijging van de kosten voor communicatie-uitingen en kosten voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp door externe adviseurs.
Kosten per deelnemer
De uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde zijn in de volgende tabel weergegeven.
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| Totale uitvoeringskosten pensioenbeheer ( in € 1.000) | 1.155 | 842 |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde (in €) * | 1.485 | 1.120 |
De kosten per deelnemer zijn ten opzichte van 2024 op totaalniveau met 33% gestegen door de toename van de totale uitvoeringskosten pensioenbeheer. Deze kosten zijn met name toegenomen als gevolg van de jaarlijkse indexatie (2025: 7,18%) en door de eenmalige kosten voor de voorbereidende werkzaamheden voor de Wtp (319), extra vergoeding exploitatiekosten Stap (80) en de eenmalige vergoedingen voor de implementatie van DORA/Regie op klantsignalen/WDO (26).
Voor de kosten per deelnemer/pensioengerechtigde is geen benchmark opgenomen, omdat de meerwaarde van het laten uitvoeren van een benchmark niet opweegt tegen de vergoeding die daarvoor gevraagd wordt. Daarnaast worden de kosten per deelnemer tot de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel beïnvloed door de eenmalige kosten die hiervoor in de uitvoeringskosten pensioenbeheer zijn opgenomen.
Kosten vermogensbeheer
Het bedrag van 1.457 betreft alle door de pensioenkring betaalde kosten vermogensbeheer (direct en indirect).
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Kosten vermogensbeheer | € | € |
| Directe kosten vermogensbeheer | 933 | 859 |
| Indirecte kosten vermogensbeheer (ten laste van beleggingsresultaat) | 524 | 511 |
| Totale kosten van vermogensbeheer * | 1.457 | 1.370 |
De directe kosten vermogensbeheer bestaan uit de volgende posten:
- dienstverlening integraal balansbeheerder:
- beheervergoeding: dit is een vaste beheervergoeding voor het operationeel vermogensbeheer per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie;
- vergoeding advies, administratie en rapportage: dit is de vergoeding voor de integrale dienstverlening conform de uitbestedingsovereenkomst;
- overige directe kosten: dit betreft onder andere bankkosten en custody-kosten;
- allocatie van de exploitatiekosten van Stap die betrekking hebben op vermogensbeheer.
De hoogte van de directe kosten vermogensbeheer (933) wijkt af van de weergave in de financiële opstelling (962). Een deel van de directe kosten vermogensbeheer betreffen transactiekosten (22) en deze zijn in het bestuursverslag in de paragraaf "Transactiekosten" verantwoord. Daarnaast wordt een deel van de overige kosten (7) bij de vermogensbeheerder en in het bestuursverslag onder indirecte kosten verantwoord. De verschillen tussen de financiële opstelling en het bestuursverslag betreffen verschuivingen in de weergave en hebben geen invloed op het totaal aan kosten vermogensbeheer.
De indirecte kosten vermogensbeheer bestaan uit kosten die worden gemaakt binnen de onderliggende beleggingsfondsen. Deze bestaan uit de volgende posten:
- beheervergoeding externe managers: dit is een (basis) vergoeding per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie.
- performance fee externe managers: dit is een prestatieafhankelijke vergoeding voor het verslaan van de benchmark door een externe manager.
- overige kosten: dit betreft onder andere de vergoeding van de bewaarbank, administratiekosten, accountantskosten en juridische kosten.
De kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd in euro’s en als percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen. De volgende tabel geeft dit per beleggingscategorie weer. Het aandeel aan geschatte kosten is beperkt. De schattingen zijn gebaseerd op opgaven van externe managers van kosten in onderliggende beleggingsstructuren.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 382 | 386 | 0,06 | 0,06 |
| Vastrentende waarden | 472 | 440 | 0,07 | 0,07 |
| Overig | 426 | 394 | 0,06 | 0,06 |
| Totaal | 1.280 | 1.220 | 0,19 | 0,19 |
| Allocatie vanuit pensioenbeheer | 177 | 150 | 0,03 | 0,02 |
| Totaal ** | 1.457 | 1.370 | 0,22 | 0,22 |
De kosten vermogensbeheer zijn als percentage van het gemiddeld belegd vermogen in 2025 gelijk aan 2024 (0,22%).
Transactiekosten
Deze kosten betreffen de toe- en uittredingsvergoedingen van de beleggingsfondsen, de transactiekosten van discretionaire portefeuilles en de derivatentransacties. Deze kosten zijn in het gerapporteerde rendement verwerkt.
Transactiekosten in beleggingsfondsen zijn wel onderdeel van het rendement, maar worden niet apart gespecificeerd. De transactiekosten zijn als volgt bepaald:
- aandelen: op basis van directe transactiekosten zoals commissie en belastingen en indirecte geschatte kosten zoals spread en marktimpact. Indien deze kosten niet aanwezig zijn worden deze vastgesteld op basis van schattingen;
- vastrentende waarden en derivaten: van vastrentende waarden zijn de transactiekosten slechts bij benadering vast te stellen. Deze kosten zijn niet zichtbaar bij aan- en verkopen, maar zijn een impliciet onderdeel van de spread tussen bied- en laatkoersen. Binnen deze fondsen worden de transactiekosten geschat op basis van de gemiddelde spread gedurende het jaar en de som van aan- en verkopen.
De (geschatte) transactiekosten, waaronder ook de kosten voor toe- en uittreding vallen, worden gerapporteerd in euro’s en als een percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen.
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 62 | 77 | 0,01 | 0,01 |
| Vastrentende waarden | 118 | 113 | 0,02 | 0,02 |
| Derivaten | 23 | 25 | 0,00 | 0,00 |
| Totaal ** | 203 | 214 | 0,03 | 0,03 |
In bovenstaande kosten is een bedrag van 18 (2024: 30) begrepen voor toe- en uittredingskosten van de pensioenkring. Het restant betreft werkelijke en geschatte transactiekosten van de beleggingen.
De transactiekosten zijn als percentage van het gemiddeld belegd vermogen in 2025 zijn gelijk aan vorig jaar (2024: 0,03%).
Beleggingskosten en relatie rendement, risico en kosten
De totale kosten vermogensbeheer in 2025 bedroegen 0,22% van het gemiddeld belegd vermogen. Van deze totale kosten bestaat niets (2024: niets) uit prestatieafhankelijke vergoedingen. Een deel van de beleggingsportefeuille wordt namelijk actief beheerd, met als uitgangspunt dat actief beheer voor de geselecteerde beleggingscategorieën op termijn een hoger rendement oplevert.
Hier stond een gerealiseerd relatief rendement op de actieve beleggingen van 0,03%-punt ten opzichte van de benchmarks tegenover. Deze percentages zijn berekend op basis van de gemiddelde standen in 2025 en op basis van de totale portefeuille. In absolute getallen heeft het actief beheer een opbrengst opgeleverd van 177 ten opzichte van 0 aan kosten.
Om het effect van de kosten in relatie tot het totale rendement van de pensioenkring te duiden, geeft onderstaande grafiek weer welke kosten onderdeel uitmaken van het gerapporteerde rendement van de pensioenkring en welke kosten hier buiten vallen. Ter vergelijking worden hierbij de cijfers over het voorgaande boekjaar getoond.

| Toelichting grafiek: | |
| Netto rendement | Rendement na kosten binnen en buiten de beleggingen |
| Kosten niet in gerapporteerd rendement | Kosten die buiten de beleggingsportefeuille om betaald zijn |
| Gerapporteerd rendement | Gerapporteerd rendement van de beleggingen |
| Kosten in gerapporteerd rendement | Kosten binnen de beleggingen (vermogensbeheer en transactiekosten) |
| Bruto rendement | Rendement zonder het effect van kosten |
Uitvoeringskosten en oordeel bestuur
Het bestuur van Stap vindt kostenbeheersing belangrijk. Daarom streeft het bestuur naar een acceptabel kostenniveau in verhouding tot de kwaliteit van de uitvoering en besteedt het bestuur aandacht aan de beheersing van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer en vermogensbeheer.
Jaarlijks wordt voor de pensioenkring een begroting opgesteld. De realisatie van de uitvoeringskosten wordt door het bestuursbureau gemonitord via de maand- en kwartaalrapportages van pensioenbeheer en vermogensbeheer. Op basis van de kwartaalrapportages en via een evaluatie van de uitbestedingsovereenkomsten wordt tevens de kwaliteit van de uitvoering gemonitord.
Het bestuur heeft de uitvoeringskosten beoordeeld en vastgesteld dat deze verklaarbaar en acceptabel zijn in het licht van de gemaakte afspraken.
7.6 Financiële positie en herstelplan (FTK)
Dekkingsgraden
In 2025 is de rentetermijnstructuur (RTS) gestegen, waardoor de technische voorzieningen (TV) van de pensioenkring zijn gedaald. De rente heeft in 2025 een positief effect gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Een negatief beleggingsrendement van 2,7% zorgde daarentegen voor een daling van de feitelijke dekkingsgraad. Uiteindelijk is de feitelijke dekkingsgraad in 2025 gestegen van 140,7% naar 163,5%.
De beleidsdekkingsgraad is in 2025 gestegen van 140,3% naar 149,6% en is hoger dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen van 125,0%. Daarmee is ultimo 2025 sprake van een toereikende solvabiliteit. Eind 2025 bedraagt de dekkingsgraad op basis van marktrente 163,5%. De dekkingsgraad op basis van marktrente wordt bepaald door het pensioenvermogen te delen door de TV op marktwaarde.
| Dekkingsgraad- en renteniveaus | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % | 2025 | 2024 |
| Beleidsdekkingsgraad | 149,6 | 140,3 |
| Feitelijke dekkingsgraad | 163,5 | 140,7 |
| Dekkingsgraad op basis van marktrente | 163,5 | 140,7 |
| Reële dekkingsgraad | 106,3 | 102,5 |
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,1 | 104,1 |
| Vereiste dekkingsgraad | 125,0 | 125,1 |
| Rekenrente vaststelling TV | 3,21 | 2,13 |
Herstelplan
De pensioenkring hoefde in 2025 geen herstelplan in te dienen, omdat de beleidsdekkingsgraad (140,3%) per 31 december 2024 hoger lag dan de dekkingsgraad die hoort bij het vereist vermogen per 31 december 2024 (125,1%). Daardoor had Pensioenkring GE Nederland eind 2024 geen reservetekort.
De situatie is eind 2025 ongewijzigd, omdat de beleidsdekkingsgraad per 31 december 2025 (149,6%) hoger ligt dan de vereiste dekkingsgraad per 31 december 2025 (125,0%).
Minimaal vereist vermogen
Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende vijf achtereenvolgende jaren (6 peilmomenten) lager is dan het vermogen dat hoort bij het minimaal vereist vermogen, dienen de pensioenaanspraken en –rechten te worden gekort. Dit betreft de korting op basis van de Maatregel minimaal vereist eigen vermogen (de zogenoemde MVEV-korting). Het korten is hierbij onvoorwaardelijk, maar mag worden verdeeld over (maximaal) 10 jaar.
Ultimo 2025 is de beleidsdekkingsgraad (149,6%) hoger dan de dekkingsgraad die hoort bij het minimaal vereist vermogen (104,1%). De MVEV-korting is per 31 december 2025 voor Pensioenkring GE Nederland daarom niet aan de orde.
Toekomst Bestendig Indexeren (TBI)
De Nederlandsche Bank heeft aan Stichting Algemeen Pensioenfonds Stap voor Pensioenkring GE Nederland ontheffing verleend van het bij of krachtens artikel 137, lid 2 van de Pensioenwet bepaalde onder de volgende voorwaarden:
- Het verlenen van de voorwaardelijke toeslagen is alleen mogelijk als de dekkingsgraad ligt boven het niveau behorend bij het minimaal vereist vermogen;
- De ontheffing vervalt met ingang van het moment dat de voorwaardelijke toeslagverlening niet langer wordt gefinancierd door een opslag op de premie;
- De ontheffing vervalt met ingang van het moment dat de verplichting van de aangesloten ondernemingen om herstelpremies te betalen, wordt aangepast, tenzij Stap ten genoegen van DNB kan onderbouwen dat de aanpassing geen gevolgen heeft voor de herstelpremies die Stap voor de Pensioenkring GE Nederland ontvangt of zal ontvangen.
De verleende ontheffing heeft tot doel dat Stap jaarlijks de door de ondernemingen betaalde premie voor toeslagverlening voor de inactieve deelnemers behorend bij Pensioenkring GE Nederland kan aanwenden voor toeslagverlening aan de inactieve deelnemers, voor zover de feitelijke dekkingsgraad boven het niveau behorend bij het minimaal vereist vermogen ligt. DNB kan de verleende ontheffing wijzigen of intrekken, bijvoorbeeld indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven of omstandigheden/feiten bekend worden, waar DNB op het tijdstip van het verlenen van de ontheffing, niet van op de hoogte was.
Toeslagbeleid
De indexatie van de aanspraken van actieve en arbeidsongeschikte deelnemers maakt deel uit van de pensioenovereenkomst, en is derhalve onvoorwaardelijk. De toeslag voor actieve en arbeidsongeschikte deelnemers wordt gefinancierd uit de premie.
De indexatie van de opgebouwde pensioenaanspraken van gewezen deelnemers en van de ingegane pensioenrechten van pensioengerechtigden (waaronder arbeidsongeschiktheidspensioenen) is voorwaardelijk. De toeslag wordt gefinancierd uit de premie. De Nederlandsche Bank heeft voor Pensioenkring GE Nederland aan Stap ontheffing verleend voor de toepassing van de methodiek van toekomstbestendig indexeren (TBI), zoals vastgelegd in artikel 137 lid 2 van de Pensioenwet. Dat betekent dat de opgebouwde pensioenaanspraken van gewezen deelnemers en de ingegane pensioenrechten van pensioengerechtigden voorwaardelijk (gedeeltelijk) kunnen worden verhoogd bij een feitelijke dekkingsgraad die hoger is dan de dekkingsgraad die hoort bij het minimaal vereist vermogen.
De opgebouwde pensioenen zijn per 1 januari 2026 voor actieven en arbeidsongeschikten met 4,74% (2024: 6,94%) verhoogd. De opgebouwde pensioenen zijn per 1 januari 2026 voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden met 3,27% (2024: 3,50%) verhoogd.
Richtlijnen voor toeslagen
Zowel de onvoorwaardelijke toeslag voor de deelnemers als de voorwaardelijke toeslag voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden wordt uit de premie gefinancierd.
Eenmalige bijdrage bij uittreding (sub)onderneming
Indien en nadat een onderneming al dan niet als gevolg van een overdracht de status van aangesloten onderneming verliest, is deze onderneming aan de pensioenkring een eenmalige bijdrage verschuldigd ter dekking van de lasten voor de toekomstige toeslagverlening aan de gewezen deelnemers die op het moment waarop de onderneming niet langer kan worden aangemerkt als aangesloten onderneming, in dienst zijn van deze onderneming.
Inhaaltoeslag
De Nederlandsche Bank heeft voor Pensioenkring GE Nederland aan Stap ontheffing verleend voor de toepassing van de methodiek van toekomstbestendig indexeren (TBI). Dat betekent dat de opgebouwde pensioenaanspraken voor gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van pensioengerechtigden voorwaardelijk (gedeeltelijk) kunnen worden verhoogd bij een feitelijke dekkingsgraad die hoger is dan behorend bij het minimaal vereist vermogen. Indien er een toeslag wordt gemist doordat de feitelijke dekkingsgraad lager is dan behorend bij het minimaal vereist vermogen kan deze toeslag worden ingehaald op het moment dat de feitelijke dekkingsgraad hoger is dan behorend bij het minimaal vereist vermogen. Voorwaarde hierbij is wel dat ook na de toekenning, de feitelijke dekkingsgraad hoger is dan (of gelijk aan) de dekkingsgraad die hoort bij het minimaal vereist vermogen.
Het inhalen van een eventuele indexatieachterstand en herstel van kortingen zal als volgt worden toegepast:
- volledige toeslagverlening;
- herstel van kortingen;
- inhaal van indexatieachterstand (verjaringstermijn 10 jaar).
7.7 Actuariële paragraaf
Het verloop van de technische voorzieningen werd voor een groot deel bepaald door de bewegingen van marktrentes, beleggingsrendementen en de verleende toeslagen.
In onderstaande tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van de pensioenkring vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen wijken af van de bedragen in de financiële opstelling, die boekhoudkundig zijn bepaald.
| (bedragen x € 1.000) | ||
|---|---|---|
| Categorie resultaat | 2025 | 2024 |
| Resultaat op beleggingen | -28.477 | 36.508 |
| Resultaat op wijziging RTS | 86.372 | -10.083 |
| Resultaat op premie | 1.305 | 7.924 |
| Resultaat op waardeoverdrachten | -64 | 221 |
| Resultaat op kosten | 0 | 0 |
| Resultaat op uitkeringen | 11 | 474 |
| Resultaat op kanssystemen | -166 | -280 |
| Resultaat op toeslagverlening | 1.967 | 1.802 |
| Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | 3.129 | 883 |
| Resultaat op andere oorzaken | 35 | 73 |
| Totaal saldo van baten en lasten | 64.112 | 37.522 |
Toelichting actuarieel resultaat
In 2025 zijn de volgende belangrijke effecten in het actuarieel resultaat te onderscheiden. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:
- alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten vermogensbeheer
- de benodigde intresttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars ‘spot rate’ uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaar aan de start van de analyseperiode
Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt -29.760. Op dit resultaat is uitgebreid ingegaan in het hoofdstuk ‘Vermogensbeheer’. Het resultaat op beleggingen draagt in 2025 negatief bij aan de ontwikkeling van de dekkingsgraad.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De RTS ultimo 2025 ligt gemiddeld genomen boven de RTS ultimo 2024. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente in 2025 met circa 1,08%-punt gestegen. Dit heeft geleid tot een daling van de technische voorzieningen en dus tot een positief resultaat. Het resultaat hiervan bedraagt 86.372.
Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte, pensionering en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op kanssystemen bedraagt -166.
Toeslagverlening
Per 1 januari 2026 is aan de actieven en arbeidsongeschikten een toeslag van 4,74% en aan de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden een toeslag van 3,27% verleend. Beide worden gefinancierd uit premie. Het resultaat op toeslagverlening in het boekjaar bedraagt 1.967.
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Het resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen bedraagt 3.129. Dit resultaat wordt volledig veroorzaakt door de actualisatie van de kostenvoorziening.
Kostendekkende premie
De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw, de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid, de solvabiliteitsopslag en de opslag voor directe en toekomstige uitvoeringskosten.
In de volgende tabel is een overzicht van de kostendekkende premie opgenomen. De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur. De gedempte premie bestaat uit dezelfde componenten als de kostendekkende premie. Bij de gedempte premie wordt uitgegaan van een verwacht rendement op basis van het huidige strategisch beleggingsbeleid. Hierbij is gebruik gemaakt van het in artikel 36b Besluit financieel toetsingskader geboden overgangsrecht door voor de premiestelling vanaf het jaar 2024 het rendement op vastrentende waarden opnieuw vast te zetten voor een periode van vijf jaar op basis van de rentetermijnstructuur van 30 september 2023. Voor de risicopremies (meetkundig) zijn de hoogtes gelijk gesteld aan de maximale rendementsparameters zoals vastgesteld in artikel 23a van het Besluit FTK en geldend per 1 juli 2023. De curve is verlaagd met inflatie op basis van de minimale verwachtingswaarde van de prijsinflatie (2,0%) en het ingroeipad zoals dit door De Nederlandsche Bank op 6 oktober 2023 is gepubliceerd. De resulterende rentecurve geldt voor de periode van 1 januari 2024 tot uiterlijk 1 januari 2029 (of de eerdere transitiedatum naar het nieuwe pensioenstelsel)
| Premie voor risico pensioenkring | ||||
|---|---|---|---|---|
| (bedragen x € 1.000) | Premie RTS |
Premie gedempt |
Premie feitelijk |
|
| Actuarieel benodigde premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen van de regeling |
regulier | 8.799 | 5.042 | 8.656 |
| risicopremie overlijden |
344 | 344 | 344 | |
| Opslag voor toekomstige uitvoeringskosten | 246 | 141 | 242 | |
| De risicopremie voor WIA-excedent en premievrijstelling bij invaliditeit | 201 | 201 | 201 | |
| Solvabiliteitsopslag | 4.313 | 2.886 | 4.575 | |
| Toetswaarde premie | 13.903 | 8.614 | 14.018 | |
| Overige premie | ||||
| Directe uitvoeringskosten | 1.332 | 1.332 | 2.615 | |
| Actuarieel benodigd voor inkoop voorwaardelijke onderdelen van de regeling | 8.139 | 10.160 | 9.332 | |
| Extra bijdrage werkgever | 0 | 0 | 304 | |
| Premiekorting werkgever | 0 | 0 | -3.506 | |
| Totaal | 23.374 | 20.106 | 22.763 |
De boekhoudkundige verwerking van de premiekorting in de balans is nog onderwerp van discussie tussen werkgevers en het fonds.
De pensioenkring voldoet aan de eis dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte premie.
Vereist vermogen
Het vereist vermogen is gebaseerd op het strategisch beleggingsbeleid en is vastgesteld op 125,0%. Indien het vereist vermogen bepaald zou zijn op basis van de actuele portefeuille zou deze uitkomen op 126,3%.
7.8 Risicoparagraaf
Bij het bepalen van het beleid en het nemen van belangrijke besluiten maakt het bestuur een afweging tussen risico, rendement en beheersing van de risico’s. Daarbij heeft het bestuur bovendien grenzen (risicobereidheid) gedefinieerd aan de omvang van de risico’s. Het beleid is vastgelegd in de ABTN van de pensioenkring en het financieel crisisplan. In 2025 zijn geen wijzigingen aangebracht in de risicobereidheid van de pensioenkring.
Integraal risicomanagement
In het hoofdstuk integraal risicomanagement van Stap is de beschrijving van het integraal risicomanagement op instellingsniveau opgenomen. Deze beschrijving is van toepassing op alle pensioenkringen.
Doelstellingen en risicobereidheid
Op het niveau van de pensioenkringen zijn specifieke doelstellingen voor de pensioenkringen bepaald. Hierbij is een verdeling gemaakt naar financiële en niet-financiële doelstellingen. Om deze doelstellingen te behalen is per pensioenkring de risicobereidheid bepaald. In onderstaande tabel wordt de risicobereidheid voor de doelstellingen op het niveau van de pensioenkring weergegeven. Voor de risicobereidheid bij de doelstellingen op het niveau van Stap wordt verwezen naar het hoofdstuk integraal risicomanagement.
| Doelstelling niveau pensioenkring | Risicobereidheid Pensioenkring GE Nederland |
|---|---|
| Financiële doelstellingen | |
| Verantwoorde pensioenopbouw binnen de pensioenkring. | De minimale premiedekkingsgraad van Pensioenkring GE Nederland voldoet aan de afspraken die zijn gemaakt met de sociale partners (opdrachtaanvaarding). |
| Behoud nominale aanspraken binnen de pensioenkring. | Risicobereidheid op korte termijn Risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van vereist eigen vermogen (VEV). Deze is gelijk aan 25,5% met een bandbreedte tussen 20,5% en 30,5%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. Bijstortingsverplichting Op basis van de bijstortingsverplichting van de aangesloten onderneming is korting van aanspraken in principe nooit aan de orde. Uitsluitend indien de aangesloten ondernemingen onevenredig worden geschaad kan het Fonds het instrument van korten toepassen. |
| Streven naar waardevast houden van pensioenrechten. Specifiek voor Pensioenkring GE Nederland is dit vertaald naar: een onvoorwaardelijke toeslagambitie van 100% van de maatstaf voor actieve en arbeidsongeschikte deelnemers en een voorwaardelijke toeslagambitie van 100% van de maatstaf voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Hierbij is de maatstaf voor actieve en arbeidsongeschikte deelnemers gelijk aan de procentuele jaarstijging van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen (particuliere bedrijven) per 30 september. De maatstaf voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden is gelijk aan de procentuele jaarstijging van het consumentenprijsindexcijfer (CPI) alle bestedingen per 30 september (niet afgeleid). |
Risicobereidheid op korte termijn Risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van VEV. Deze is gelijk aan 25,5% met een bandbreedte tussen 20,5% en 30,5%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. Risicobereidheid op lange termijn: Passend binnen de gestelde grenzen uit de aanvangshaalbaarheidstoets. Gebaseerd op de voorgeschreven uitgangspunten en parameters van de haalbaarheidstoets (hierna: “HBT”) is een drietal beleidskaders geformuleerd: • vanuit de financiële positie waarbij aan het VEV wordt voldaan, is de ondergrens op fondsniveau van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) uit het HBT gelijk aan 90% • vanuit de actuele financiële positie is de ondergrens op fondsniveau van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) uit het HBT gelijk aan 90% • vanuit de actuele financiële positie is de afwijking van het pensioenresultaat in het slechtweerscenario (5e percentiel) ten opzichte van het verwacht pensioenresultaat (mediaan) maximaal 15% |
| Niet-financiële doelstellingen | |
| Adequate communicatie. Specifiek voor Pensioenkring GE Nederland is dit vertaald naar: • een proactieve en inzichtelijke deelnemerscommunicatie zodat deelnemers bewust zijn van hun pensioeninkomen en in staat zijn naar eigen inzicht keuzes te maken over hun pensioen • kennis en inzicht verschaffen aan de werkgever voor een passende arbeidsvoorwaarde pensioen |
De risicobereidheid is risicoavers. Uitgangspunt is dat alle deelnemers en werkgever juist, volledig en tijdig geïnformeerd worden. |
Risico-inschatting en -beheersing
Zoals in het hoofdstuk integraal risicomanagement is benoemd identificeert en beoordeelt het bestuur van Stap de risico's van Stap en de pensioenkringen op een gestructureerde wijze met een Risico Self Assessment (RSA). De geïdentificeerde risico's worden door het bestuur kwalitatief beoordeeld voor de kans dat deze risico’s zich manifesteren, alsmede voor de impact die deze risico’s hebben op het behalen van de doelstellingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar het bruto risico, het netto risico en de risico reactie. Zo wordt er inzicht verkregen in de risico's die Stap loopt, welke beheersmaatregelen zijn genomen en de effectiviteit daarvan, evenals in de beheersmaatregelen die nog genomen moeten worden of gewenst zijn.
Voor boekjaar 2025 is de RSA eind 2025 uitgevoerd op het niveau van Stap en op het niveau van de pensioenkringen. De RSA betreft alle risico´s die Stap onderscheidt. Daaronder zijn de Systematische Integriteitrisicoanalyse (SIRA) en het risico self assessment voor ICT (RSA ICT) als bijzondere aandachtsgebieden begrepen.
Risico's met mogelijke impact op financiële positie pensioenkring
Elke pensioenkring heeft te maken met financiële risico’s om haar doelstellingen behalen. Het bestuur is van mening dat door het inzetten van effectieve beheersmaatregelen de impact op een ongunstige gebeurtenis wordt verkleind.
Voor de belangrijkste financiële en niet-financiële risico’s wordt in hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen toegelicht wat de impact van deze mogelijk ongunstige gebeurtenissen is op de financiële positie van de pensioenkringen van Stap. Hierna wordt voor (de afdekking van) het renterisico en het marktrisico de specifieke informatie voor de pensioenkring toegelicht.
Matching/Renterisico
Het matching en renterisico is in hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen toegelicht voor alle pensioenkringen.
Voor de pensioenkring toont de volgende figuur de gerealiseerde afdekking van het renterisico ten opzichte van de strategische afdekking van het renterisico en de ex-ante mate van afdekking van het renterisico, zoals op de laatste dag van de voorgaande maand is vastgesteld. Zichtbaar is dat gedurende 2025 zowel de benchmark voor de afdekking van het renterisico als de werkelijke afdekking van het renterisico zich dicht bij strategische mate van afdekking van het renterisico bevonden. Indien de benchmark voor de afdekking van het renterisico zich buiten de bandbreedte bevindt, worden transacties uitgevoerd om de afdekking van het renterisico bij te sturen naar de strategische mate van de afdekking van het renterisico.

Toelichting grafiek
- de blauwe balken tonen de ex-ante mate van afdekking van het renterisico (benchmark afdekking) zoals op maandeinde van de voorgaande maand is vastgesteld. In feite is dit de verwachte afdekking van het renterisico gedurende de daaropvolgende maand. De benchmark afdekking van het renterisico wordt bepaald aan de hand van de actuele rentegevoeligheid van renteswaps en beleggingen die een onderdeel zijn van de matching portefeuille en de actuele rentegevoeligheid van de verplichtingen. Deze waarde is weergegeven in de horizontale as
- de rode horizontale strepen tonen de strategisch gewenste mate van afdekking van het renterisico. De strategische mate van afdekking van het renterisico is afhankelijk van de huidige rentestand. Periodiek wordt gemonitord of de benchmark afdekking van het renterisico zich binnen de bandbreedtes rondom de strategische mate van afdekking van het renterisico bevindt
- de gele balken tonen de waardeontwikkeling van de vastrentende waarden en renteswaps als gevolg van de rentemutatie (exclusief het spreadrendement)
- de afdekking van het renterisico wordt maandelijks berekend door de rentegevoeligheid van de beleggingen te delen door de rentegevoeligheid van de verplichtingen
Gedurende 2025 is de strategische afdekking van het renterisico onveranderd 70,0% geweest.
Marktrisico
In hoofdstuk 13.2 Risicoparagraaf pensioenkringen is het marktrisico voor alle pensioenkringen toegelicht.
Scenario's dekkingsgraad voor markt- en renterisico per einde boekjaar
De volgende tabel geeft de gevoeligheid van de dekkingsgraad (op basis van de rentetermijnstructuur inclusief UFR) weer voor het rente- en aandelenrisico waarbij beide risico’s zich gecombineerd voordoen. De actuele portefeuille geldt als uitgangspunt. Dat wil zeggen dat de actuele mate van afdekking van het renterisico wordt gehanteerd. Er wordt verondersteld dat beide risico’s zich manifesteren als een instantane schok, dus als een schok ineens zonder tussenstappen. De afdekking van het renterisico blijft dan ook in de gehele schok hetzelfde en wordt dus niet gedurende de schok aangepast conform de rentestaffel. Verder wordt verondersteld dat de andere beleggingen onveranderd blijven. De aandelenkoersen variëren hierbij tussen de -20% en +20%. De rente varieert tussen -1,5% en +1,5% ten opzichte van het renteniveau op het einde van de maand.
| Rente | -1,50% | -1,00% | -0,50% | 0,00% | 0,50% | 1,00% | 1,50% |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandelen | |||||||
| 20% | 152,3 | 161,5 | 171,1 | 181,2 | 191,8 | 202,9 | 214,4 |
| 10% | 145,7 | 154,1 | 163,0 | 172,4 | 182,1 | 192,3 | 202,9 |
| 0% | 139,1 | 146,8 | 155,0 | 163,5 | 172,4 | 181,7 | 191,3 |
| -10% | 132,5 | 139,5 | 146,9 | 154,6 | 162,7 | 171,0 | 179,7 |
| -20% | 125,9 | 132,2 | 138,9 | 145,8 | 153,0 | 160,4 | 168,2 |
7.9 Verslag van het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring GE Nederland
Belanghebbendenorgaan Pensioenkring GE Nederland
Het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring GE Nederland is per 1 september 2021 ingesteld. Dat is de datum waarop Pensioenkring GE Nederland van start is gegaan.
Samenstelling Belanghebbendenorgaan Pensioenkring GE Nederland
Het belanghebbendenorgaan bestaat uit de vertegenwoordiging van de geledingen van de aangesloten werkgevers, (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Na een kort ziekbed is BO-lid Fred Bos helaas begin 2026 overleden. Het belanghebbendenorgaan is hem erkentelijk voor zijn bijdrage en inzet. Hierdoor is per die datum binnen het belanghebbendenorgaan een vacature namens de pensioengerechtigden ontstaan. Hiervoor zijn inmiddels verkiezingen georganiseerd.
De samenstelling van het belanghebbendenorgaan is per de datum van vaststelling van het jaarverslag 2025 als volgt:
- Nina Nijs (voorzitter) - namens de deelnemers
- Taugir Sardar - namens de werkgevers
- Sjoerd Lousberg - namens de werkgevers
- Dirk van Unnik - namens de deelnemers
- Arjan van der Linde - namens de werkgevers
- Herman van der Breggen - aspirant lid BO
Taken en bevoegdheden
De taken en bevoegdheden van het belanghebbendenorgaan worden bepaald door het wettelijke kader, de Code Pensioenfondsen, de statuten en de reglementen van Stap. De taken en bevoegdheden zijn vastgelegd in het Reglement Belanghebbendenorgaan Pensioenkring GE Nederland.
Vergaderingen van het belanghebbendenorgaan in 2025
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 twee vergaderingen gehad met het bestuur. De eerste vergadering met het bestuur vond plaats in mei. Deze vergadering stond in het teken van het deel-jaarverslag 2024 met de financiële opstelling van Pensioenkring GE Nederland. De tweede vergadering vond plaats in december. In deze vergadering zijn onderwerpen zoals het beleggingsplan 2026, de pensioenopbouw en premie voor 2026, het pensioenreglement 2026, de toeslagverlening, het communicatiejaarplan en het jaarplan 2026 van de pensioenkring behandeld.
In december 2025 heeft het belanghebbendenorgaan overleg gevoerd met de raad van toezicht. Er is gesproken over de gang van zaken bij Stap en de voorbereiding op de implementatie van de Wtp. Hierbij is o.a. stilgestaan bij de wijze van verantwoording door de raad van toezicht, de risicobeheersing, de tijdsdruk door de voorbereiding op de transitie en de succession planning bij het bestuur en de raad van toezicht.
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 vijf eigen vergaderingen gehad. Bij deze vergaderingen is een delegatie van het bestuursbureau aanwezig geweest In deze vergaderingen zijn de onderwerpen behandeld die in de vergaderingen met het bestuur op de agenda stonden. Naast de onderwerpen waarvoor het belanghebbendenorgaan goedkeurings- of adviesrechten heeft (separaat vermeld) zijn verder de volgende onderwerpen behandeld:
- videobellen
- resultaten campagnes 2024
- wet toekomst pensioenen
- wet digitale overheid
- relatiecommunicatieplan
- stap Academy
- risicomanagement
In de eigen vergaderingen van het belanghebbendenorgaan zijn verder de maand- en kwartaalrapportages en de risicomanagementrapportages van de pensioenkring behandeld. Het belanghebbendenorgaan heeft in de eigen vergaderingen verdiepende vragen gesteld naar aanleiding van deze rapportages. Deze vragen zijn door het bestuursbureau beantwoord.
Verslag over 2025
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 goedkeuring verleend aan de volgende voorstellen van het bestuur ten aanzien van Pensioenkring GE Nederland:
- de opzet van de zelfevaluatie van het belanghebbendenorgaan onder begeleiding van een externe partij
- het jaarplan en de begroting 2026 van de pensioenkring
- de premie en premieopbouw 2026
- de vergaderplanning voor 2026
Het belanghebbendenorgaan heeft in 2025 positief advies gegeven over de volgende voorstellen van het bestuur ten aanzien van Pensioenkring GE Nederland:
- het jaarverslag en de financiële opstelling van de pensioenkring over 2024
- de Actuariële- en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) 2025
- het pensioenreglement 1 januari 2026 inclusief reglementsfactoren per 1 juli 2026 van de pensioenkring
- het communicatiejaarplan 2026 van de pensioenkring
Beoordeling en bevindingen
De beoordeling en bevindingen hebben betrekking op het verslagjaar 2025. Het belanghebbendenorgaan heeft over deze periode het volgende oordeel en bevindingen.
Financieel
De financiële markten waren volatiel maar ook veerkrachtig in 2025. Per saldo liep de beleidsdekkingsgraad in 2025 op. De rekenrente (RTS) steeg in 2025 van 2,13% naar 3,21% en het beleggingsrendement bedroeg 2,7% negatief. Per saldo steeg de dekkingsgraad van 140,7% naar 163,5%. De beleidsdekkingsgraad steeg van 140,3% naar 149,6%.
Beleggingen
Het totale beleggingsrendement in 2025 bedroeg 2,7% negatief. De categorie aandelen droeg 1,3% bij aan het totaalrendement en de vastrentende waardes -2,2%. Verder leverde de overlay (resultaten uit renteswaps en valutaforwards) nog een bijdrage van -1,8%.
In december is het beleggingsbeleid geëvalueerd. Er was alleen sprake van een aantal operationele aanpassingen, namelijk het herijken van de bandbreedtes van staatsobligaties, het wijzigen van de minimum allocatie naar staatsobligaties en een aanpassing van de valutarisico-afdekking.
Toeslagverlening
Maatstaf voor de toeslagverlening is de ontwikkeling van de afgeleide Consumenten Prijs Index (CPI). De pensioenen zijn per 1 januari 2026 verhoogd. De maatstaf voor toeslagverlening was positief (+4,74% actieven, +3,27% inactieven) en op basis van de financiële positie per 30 september 2025 kon er per 1 januari 2026 aan de deelnemers van de pensioenkring een toeslag verleend worden van 4,74% (actieven – onvoorwaardelijke toeslag) en 3,27% (inactieven – voorwaardelijke toeslag). Verder geldt voor Pensioenkring GE Nederland dat de pensioengrondslag van arbeidsongeschikte deelnemers is verhoogd conform de toeslag voor de niet-actieve deelnemers.
Verder is er voor Pensioenkring GE Nederland bij de toeslagverlening vorig jaar (per 1-1-2025) een fout ontdekt. Sinds de overgang naar Stap is niet de juiste maatstaf gehanteerd. Er is te veel toegekend aan deelnemers (maximaal 0,48%) en de werkgever heeft te veel premie betaald. Met de werkgever is besproken dit te herstellen en de verrekening van de te veel toegekende toeslag te verrekenen met de toeslagverlening per 1 januari 2026. Verder geldt dat er geen sprake is van een toeslagachterstand en om die reden is een inhaal toeslag niet van toepassing.
Wet toekomst pensioenen (Wtp)
Tijdens de vergaderingen van het belanghebbendenorgaan en tijdens vergaderingen met het bestuur van Stap is uitvoerig over de Wtp-aanpak gesproken en het proces dat daarbij hoort. In 2025 is er in de reguliere vergaderingen extra tijd ingeruimd voor de onderwerpen die verband hadden met de Wtp.
In oktober is gestart met een twee-wekelijkse teamsmeeting om de BO leden bij te praten over de recente ontwikkelingen met betrekking tot de Wtp en de gesprekken met sociale partners.
Er is door de sociale partners een concept transitieplan ingediend bij Stap. Er zijn vervolgens gesprekken gevoerd tussen Stap en de sociale partners, aangezien Stap het verzoek om een buy-out op basis van art. 84 PW niet kan uitvoeren. Er wordt gezamenlijk gezocht naar een alternatieve route en hierover vindt regelmatig afstemming plaats. Op het moment van het samenstellen van het jaarverslag 2025 is er nog geen definitief transitieplan ingediend en is de verwachte transitiedatum 1 januari 2028.
Informatie-uitwisseling
Het belanghebbendenorgaan ontvangt informatie en rapportages over de pensioenkring van het bestuursbureau via een eigen digitale vergaderomgeving. Dit betreft onder andere maand- en kwartaalrapportages en per kwartaal een risicomanagementrapportage. Daarnaast ontvangt het belanghebbendenorgaan tenminste maandelijks een nieuwsbrief over de actualiteiten. Deze frequentie wordt verhoogd wanneer hiertoe aanleiding is. Daarnaast hebben de leden van het belanghebbendenorgaan toegang tot SPO-Perform.
In februari en september hebben leden van het belanghebbendenorgaan deelgenomen aan door Stap georganiseerde themamiddagen. Op beide themamiddagen is ruim aandacht gegeven aan de Wtp en de ‘lessons learned’ met betrekking tot de eerste pensioenkring van Stap per 1 mei 2025 heeft ingevaren in het nieuwe stelsel, namelijk Holland Casino. Daarnaast waren o.a. de werkwijze van het bestuursbureau, de rollen en bevoegdheden van belanghebbendenorganen bij transitie, klantsignalen & klant feedback management en de jaarlijkse awareness sessie compliance onderwerpen die eveneens aan de orde zijn gekomen.
Zelfevaluatie
Het belanghebbendenorgaan heeft in mei 2025 onder begeleiding van een externe partij de zelfevaluatie uitgevoerd. Met behulp van een vragenlijst is onder meer in kaart gebracht in welke aandachtsgebieden de behoefte aan kennisverdieping ligt bij de leden en de onderlinge samenwerking en de samenwerking met het bestuur en het bestuursbureau. In mei zijn de uitkomsten in onderling overleg besproken en vastgesteld. Samengevat luidden de conclusies:
- het BO functioneert in een goede onderlinge sfeer, er is vertrouwen en besluitvorming gebeurt op basis van argument
- er is ruime kennis en ervaring aanwezig die op natuurlijke wijze wordt benut
- bijna alle vergaderingen zijn online – dat werkt effectief, er is behoefte aan een fysieke samenkomst minstens eens per jaar
- het BO wil een stevige gesprekspartner blijven voor het bestuur en heeft met het bestuur besproken hoe zij samenwerken en countervailing power ervaren
Verslaglegging en verantwoording
Het belanghebbendenorgaan is van mening dat de verslaglegging en het afleggen van verantwoording goed en professioneel geregeld zijn. De maandelijkse verslaglegging en de kwartaalrapportages stellen het belanghebbendenorgaan voldoende in staat het bestuur en de uitvoerders te beoordelen.
Vooruitblik
Het BO verwacht dat vooral het WTP traject veel aandacht gaat vergen. De gezamenlijke adviseur is een positieve factor in de toch krappe tijdlijn om tot een evenwichtige besluitvorming te komen.
Het totale oordeel
Op grond van het voorgaande komt het belanghebbendenorgaan tot het volgende totale oordeel.
Het belanghebbendenorgaan heeft de samenwerking met Stap, het bestuur en het bestuursbureau als constructief en plezierig ervaren. Er is altijd bereidheid voor meer overleg en aanvullende expertise om tot het beste besluit te kunnen komen. Binnen het belanghebbendenorgaan is de samenwerking goed en harmonieus verlopen.
Rotterdam, 16 mei 2026
Belanghebbendenorgaan Pensioenkring GE Nederland
Nina Nijs
Taugir Sardar
Sjoerd Lousberg
Dirk van Unnik
Arjan van der Linde
Reactie bestuur
Met waardering voor de betrokkenheid van de leden van het belanghebbendenorgaan heeft het bestuur kennis genomen van het verslag van het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring GE Nederland en het positieve oordeel over het in 2025 gevoerde beleid.
Het bestuur bedankt het belanghebbendenorgaan van Pensioenkring GE Nederland voor de verrichte werkzaamheden en kijkt er naar uit de constructieve samenwerking met het belanghebbendenorgaan in de toekomst voort te zetten.